Ze stelt de vraag voor de derde keer. Van wie moest de avondklok komen — welke kabinetsleden waren voor, welke tegen? De oud-minister tegenover haar geeft geen namen. “Er waren mensen die dat vonden, er waren mensen die dat niet vonden.” Het commissielid houdt vol: “U moet daar antwoorden.” — “Ja, ik weet dat ik moet antwoorden.” En dan, een paar zinnen later: “Dat is geen onwil om te antwoorden, maar dat vind ik lastig om te reproduceren.”
Het fragment uit het verhoor van Ferd Grapperhaus door de parlementaire enquêtecommissie corona ging deze week rond op sociale media, en iedereen die het deelde had er een lezing bij. Hij ontwijkt. Hij liegt. Hij beschermt oud-collega’s. Hij is de draad kwijt. Zijn werkgeheugen loopt over. De lezingen spreken elkaar tegen, maar ze delen één aanname: dat het antwoord ergens in zijn hoofd ligt opgeslagen en dat alleen de wil ontbreekt om het op te halen. Die aanname verdient meer aandacht dan de man. Want de vraag die bijna niemand stelde, is of een mens dit soort vragen na vierenhalf jaar überhaupt kán beantwoorden.
Een archief dat geen archief is
De enquêtecommissie doet legitiem en noodzakelijk werk. Ze reconstrueert hoe een van de ingrijpendste maatregelen uit de recente geschiedenis tot stand kwam, en daarvoor heeft ze feiten nodig: wie zei wat, in welk overleg, in januari 2021. Het probleem zit niet in de vraag maar in het instrument waarmee die beantwoord moet worden. De vraag veronderstelt een geheugen dat gesprekken opslaat zoals een notulist dat doet — integraal, gedateerd, terugleesbaar.
Zo werkt het niet. Vijftig jaar geheugenonderzoek, met Elizabeth Loftus als bekendste naam, laat een ander beeld zien: herinneren is geen terugspoelen maar reconstrueren. Bij elke ophaalbeurt wordt de herinnering opnieuw samengesteld uit fragmenten, aangevuld met wat logisch lijkt, en gekleurd door alles wat er sindsdien overheen is gekomen — krantenartikelen, debatten, eerdere verhoren, de eigen verdediging.1 Wie in 2026 terugdenkt aan een Catshuisoverleg uit 2021, haalt geen band uit een la. Hij bouwt ter plekke een verhaal, en dat verhaal leunt zwaarder op wat plausibel is dan op wat gebeurde.
Tien jaar 9/11, één getal
Hoe snel dat bouwwerk gaat schuiven, is precies gemeten. Na de aanslagen van 11 september 2001 legden William Hirst en collega’s binnen een week de herinneringen vast van ruim drieduizend Amerikanen: waar was u, van wie hoorde u het, wat voelde u. Daarna kwamen ze terug — na een jaar, na drie jaar, na tien jaar. Na één jaar kwamen de antwoorden nog maar in 63 procent van de gevallen overeen met wat dezelfde mensen vlak na de aanslag hadden verklaard.2
Twee bevindingen uit die studie zijn voor de verhoorzaal relevanter dan het percentage zelf. Ten eerste: het vertrouwen daalde niet mee. Mensen bleven het volle decennium even zeker van herinneringen die aantoonbaar waren veranderd. Zeker weten en juist herinneren bleken twee verschillende dingen, die na verloop van tijd steeds losser van elkaar komen te staan. Ten tweede: eenmaal verschoven herinneringen werden bij latere metingen eerder herhaald dan gecorrigeerd. De fout sleet in.
En dit betrof een gebeurtenis die mensen als de meest ingrijpende van hun leven beschouwden. Emotionele intensiteit beschermde de herinnering niet — ze verhoogde alleen het vertrouwen erin. Wie een oud-minister vierenhalf jaar later vraagt wie er in welk overleg welk standpunt innam, vraagt naar details die veel kwetsbaarder zijn dan “waar was u op 9/11”. Het eerlijke antwoord op zo’n vraag klinkt hakkelend. Het klinkt als: dat vind ik lastig om te reproduceren.
De plicht om te leveren
Er gebeurde in dat fragment nog iets, en dat is de herhaalde aansporing zelf. “U moet antwoorden” is in een parlementaire enquête een functionele zin — getuigen staan onder ede en zijn tot antwoorden verplicht. Maar het geheugen kent die juridische context niet. Het kent alleen de druk.
Wat druk met herinneren doet, is onderzocht in het zogeheten forced-confabulation-paradigma. Jennifer Ackil en Maria Zaragoza lieten proefpersonen een film zien en stelden daarna vragen waarvan sommige onbeantwoordbaar waren — ze gingen over dingen die niet in de film zaten. De helft van de deelnemers mocht “weet ik niet” zeggen; de andere helft moest antwoorden, desnoods gokkend. Een week later bleek een aanzienlijk deel van de gedwongen groep de eigen verzinsels te rapporteren als herinnering aan de film.3 Vervolgonderzoek voegde daar een wrang detail aan toe: wanneer de ondervrager het verzonnen antwoord bevestigde, steeg het vertrouwen in de pseudoherinnering en de kans dat mensen haar maanden later spontaan als echt naar voren brachten.4
De les is ongemakkelijk voor iedereen die waarheid zoekt: wie iemand dwingt te produceren wat hij niet weet, krijgt geen herinnering maar een constructie — en die constructie kan zich daarna in het geheugen nestelen alsof ze er altijd al lag. Grapperhaus formuleerde, wellicht zonder het te weten, de wetenschappelijk zuiverste positie die een getuige kan innemen. Elders in het verhoor zei hij, gevraagd naar dezelfde namen: “Ik ben 40 jaar advocaat geweest. Ik mag niet onder ede dingen gaan zeggen die niet op herinneringen of documenten berusten.” Dat is geen ontwijking. Dat is geheugenepistemologie.
Dezelfde stoel, een andere kamer
Wie de verhoorzaal verruilt voor de praktijkruimte van een hypnotherapeut, treft dezelfde opstelling aan — alleen vriendelijker verlicht. Een cliënt wordt uitgenodigd terug te gaan naar een gebeurtenis van jaren geleden, soms decennia. De therapeut vraagt door: wat zie je, wie is erbij, wat gebeurt er dan? De verwachting dat er iets te vinden is, de zachte maar voelbare plicht om iets te leveren, de bevestiging wanneer er beelden komen — alle ingrediënten uit het Zaragoza-onderzoek zijn aanwezig, aangevuld met de suggestie dat hypnose de toegang tot het archief verbreedt.
Het forensische onderzoek naar die belofte is opvallend eensluidend. Een meta-analyse van studies naar hypnotisch “opgefriste” getuigenverklaringen vond dat gehypnotiseerde getuigen meer fouten en meer pseudoherinneringen produceerden dan niet-gehypnotiseerde, en tegelijk meer vertrouwen hadden in hun eigen accuraatheid.5 Hypnose vergroot niet het archief; ze vergroot de productie — waar gebeurd en verzonnen dooreen, met één stem verteld. En achteraf bestaat er geen methode om de twee te scheiden. Om die reden is hypnotisch verkregen getuigenis in veel rechtsstelsels niet toelaatbaar. De rechtszaal heeft de les getrokken die delen van de therapiewereld nog voor zich uit schuiven: dat er meer herinnering uitkomt, betekent niet dat er meer waarheid uitkomt.
Ook de kijker vult in
Rest de vraag wat wij zagen, thuis, bij dat fragment. Ik zag zelf een man wiens werkgeheugen overliep — te veel vragen, te veel druk, te weinig ruimte. Het duurde even voor ik doorhad dat ik daarmee precies deed wat dit stuk beschrijft. Zenuwachtig schuiven, haperen, afdwalen: dat gedrag is verenigbaar met overbelasting, maar net zo goed met berekening, met juridische voorzichtigheid, met oprecht niet-meer-weten, of met de kale stress van een openbaar verhoor. De beelden kiezen niet tussen die lezingen. De kijker kiest, en noemt de keuze vervolgens waarneming.
Zo bezien demonstreerde het fragment tweemaal hetzelfde mechanisme. In de zaal werd een reconstructie gevraagd en als opname behandeld. Op de bank werd een reconstructie gemaakt en als observatie gedeeld. Het eerlijkste antwoord dat die middag klonk, was ook het minst bevredigende — en het enige dat de geheugenwetenschap woordelijk zou onderschrijven: dat vind ik lastig om te reproduceren.
Bronnen
Citaten uit het verhoor van F. Grapperhaus, parlementaire enquêtecommissie corona, 1 juli 2026 (openbaar verhoor, week 5: avondklok en onrust); het citaat over veertig jaar advocatuur zoals opgetekend door het Reformatorisch Dagblad, 1 juli 2026.
- Loftus, E.F. (2005). Planting misinformation in the human mind: A 30-year investigation of the malleability of memory. Learning & Memory, 12(4), 361–366. ↩
- Hirst, W., Phelps, E.A., Meksin, R., e.a. (2015). A ten-year follow-up of a study of memory for the attack of September 11, 2001: Flashbulb memories and memories for flashbulb events. Journal of Experimental Psychology: General, 144(3), 604–623. ↩
- Ackil, J.K. & Zaragoza, M.S. (1998). Memorial consequences of forced confabulation: Age differences in susceptibility to false memories. Developmental Psychology, 34(6), 1358–1372. ↩
- Zaragoza, M.S., Payment, K.E., Ackil, J.K., Drivdahl, S.B. & Beck, M. (2001). Interviewing witnesses: Forced confabulation and confirmatory feedback increase false memories. Psychological Science, 12(6), 473–477. ↩
- Steblay, N.M. & Bothwell, R.K. (1994). Evidence for hypnotically refreshed testimony: The view from the laboratory. Law and Human Behavior, 18(6), 635–651. ↩
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
