De kamer is niet de wereld

Aan het eind van de sessie vraagt de therapeut de cliënt het oude gevoel nog eens op te roepen. De angst voor de hond, voor het podium, voor de blik van de ander. De cliënt zoekt en vindt niets. Opluchting in de kamer. De therapeut noteert: opgelost.

Eén vraag is daarmee beantwoord. Alleen niet de vraag die ertoe doet.1

De kamer is niet de wereld

Wat er in die sessie gebeurde, is echt. De spanning zakte, de ademhaling werd rustiger, het gevoel liet zich niet meer terughalen. Maar het antwoord dat de cliënt en de therapeut samen vonden, geldt voor één plek: deze kamer, op dit moment, met deze stem in de buurt en deze rust in het lijf. Verander de plek en je verandert de vraag.

Angst en automatische reacties zijn geen inhoud die ergens ligt opgeslagen en die je er bij genoeg aandacht uit kunt halen. Het zijn patronen die door signalen worden aangezet — door een omgeving, een innerlijke toestand, een eerder vergelijkbaar moment. Het brein voorspelt op grond van die signalen wat er komen gaat en stelt het lijf daarop in.2 In de praktijkruimte ontbreken bijna alle signalen die het oude patroon normaal aanzetten. Dat het gevoel daar wegblijft, zegt dus vooral iets over de kamer.

Wat het brein onthoudt, en wat het bijleert

Hier is het verleidelijk te zeggen dat het brein in context leert en niet in momenten. Dat is half waar, en de helft die ontbreekt is belangrijk. Sommige dingen leert het brein wel degelijk in één moment: één misselijke maaltijd volstaat voor een levenslange afkeer, één schok voor een blijvende schrik.3 Wat aan context gebonden is, is niet het leren zelf, maar het áfleren.

Wanneer een gevreesde situatie keer op keer voorkomt zonder dat er iets ergs gebeurt, neemt de reactie af. Lange tijd werd gedacht dat de oude koppeling daarmee verdween. Dat blijkt niet zo. De oorspronkelijke associatie blijft bestaan; er komt een nieuwe, remmende koppeling naast te liggen — “in déze situatie gebeurt er niets” — en die nieuwe is veel sterker aan haar context gebonden dan de oude.45 Het brein wist de angst niet. Het leert er een uitzondering bij.

Weg, of even niet op te roepen?

Dat verandert hoe je “ik kan het niet meer oproepen” moet lezen. De conclusie “dus het is weg” is begrijpelijk en onvolledig. Wat er gebeurt, is dat de toegang tot het patroon in deze toestand is afgenomen — niet dat het patroon is verdwenen. De cliënt vindt de angst niet, omdat de signalen die haar normaal oproepen in de kamer ontbreken. Afwezige toegang voelt als afwezigheid. Dat is iets anders. Wie de aanname onder “opgeslagen en op te halen” verder wil volgen, vindt die in een ander stuk, over regressie.

Niet of het weg is, maar of het wegblijft

De vraag is daarom niet of het gevoel in hypnose verdwijnt. Dat doet het vaak. De vraag is of het wegblijft als de context verandert.

Het onderzoek naar het afleren van angst kent daar drie nuchtere namen voor. De reactie keert terug zodra iemand opnieuw in de omgeving belandt waarin ze ooit ontstond — een verschijnsel dat renewal heet. Ze keert terug na een onverwachte tegenslag die het oude verband even bevestigt; dat heet reinstatement. En ze keert terug door enkel tijdsverloop, zonder aanwijsbare aanleiding, spontaan herstel genoemd.4 Stuk voor stuk treden ze op nadat de reactie in een veilige setting allang verdwenen leek. Een verandering die alleen in de sessie is getoetst, is tegen geen van drieën bestand.

Hier past een kanttekening. Het meeste van dit werk komt uit het lab, vaak met dieren of met eenvoudige conditionering bij mensen. De stap naar de spreekkamer is een redenering, geen rechtstreekse meting. Maar de richting is consistent genoeg om de bewijslast te verleggen: niet de terugkeer van een reactie vraagt om uitleg, maar het uitblijven ervan.

Een begin, geen bewijs

Dat maakt de sessie niet waardeloos. Een sterke verschuiving in ervaring en respons is precies waar hypnose goed in is, en ze is een geschikt vertrekpunt — een eerste keer dat het lijf ontdekt dat het ook anders kan. Alleen is een vertrekpunt geen eindpunt. De verschuiving moet zich nog bewijzen in andere situaties, onder andere stemmingen, bij triggers die niemand had zien aankomen, en na verloop van tijd. Pas wie het systeem onder die wisselingen hetzelfde ziet reageren, mag van verandering spreken.

De belangrijkste verschuiving in dit vak is misschien niet die van de cliënt, maar die van de vraag. Van “wat gebeurde er in de sessie” naar “wat houdt stand daarbuiten”. Het eerste gebeurt in de kamer. Het tweede pas als de cliënt de deur achter zich dichttrekt.


Bronnen

  1. Het uitgangspunt van dit stuk komt van collega Joris Waayer, die het zo formuleerde: verandering is geen sessie, het is context.
  2. Het predictive-coding-kader, waarin het brein waarneming en respons stuurt op grond van voorspellingen uit eerdere ervaring. Clark, A. (2013). Whatever next? Predictive brains, situated agents, and the future of cognitive science. Behavioral and Brain Sciences, 36(3), 181–204.
  3. Eénmalige leerprocessen: smaakaversie na één misselijke ervaring. Garcia, J., & Koelling, R. A. (1966). Relation of cue to consequence in avoidance learning. Psychonomic Science, 4, 123–124.
  4. Extinctie wist de oorspronkelijke associatie niet; renewal, reinstatement en spontaan herstel als context- en tijdgebonden terugkeer van de reactie. Bouton, M. E. (2004). Context and behavioral processes in extinction. Learning & Memory, 11(5), 485–494.
  5. Extinctie als nieuw, remmend leren dat naast de oude koppeling komt te liggen (inhibitory learning–model). Craske, M. G., Treanor, M., Conway, C. C., Zbozinek, T., & Vervliet, B. (2014). Maximizing exposure therapy: An inhibitory learning approach. Behaviour Research and Therapy, 58, 10–23.

Ontdek meer van

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Scroll naar boven