Het sleutelgat dat er met een reden zou zijn

Eerlijk over hypnose — deel 4

In een podcast krijgt David Spiegel, psychiater aan Stanford, de vraag waarom we hypnotiseerbaar zijn. Is het een toevallige achterdeur in het brein, vraagt zijn gesprekspartner, of een slot waar de sleutel met opzet in past? Spiegel kiest zonder aarzelen: het sleutelgat is er met een reden. En hij geeft er twee.

De eerste is sociaal. We zijn groepsdieren, en het mensenkind is het meest hulpeloze jong van alle zoogdieren; zonder een groep eromheen overleeft het niet. Het vermogen om diep op te gaan — in muziek, in een ritme, in de ogen van een ander — smeedt de band die nodig is om te overleven. De tweede is grimmiger. Wie gewond of doodsbang kan bevriezen, ontsnapt eerder aan een roofdier, want beweging verraadt. Het vermogen om pijn en angst weg te zetten, zegt Spiegel, gaf ons een voorsprong — en hypnose is wat er gebeurt als je datzelfde vermogen gericht aanspreekt.1

Het is een prachtig verhaal. Coherent, evolutionair, en bij het horen knik je vanzelf mee. Dat het zo soepel binnenkomt, is precies de reden om het te vertragen.

Want we vroegen in deze serie al óf hypnose werkt, en in een eerder stuk hóé — en daar bleef veel open. Dit is een andere vraag, en de gladste van allemaal: waaróm zijn we zo? Het is de vraag die het makkelijkst een mooi antwoord vindt, en het moeilijkst een toetsbaar.

Aanpassing of bijproduct

De vraag verbergt een aanname: dat het vermogen ergens vóór is, dat het is geselecteerd. Daar is een ouder, nuchterder onderscheid voor. Een kenmerk kan een aanpassing zijn — door selectie gevormd voor een functie — of een bijproduct van iets anders. Gould en Lewontin noemden dat laatste een spandrel, naar de driehoekige ruimtes die overblijven als je een koepel op bogen zet: niemand bouwt ze met opzet, maar ze zijn er, en je kunt ze prachtig beschilderen.2

Voor hypnotiseerbaarheid is de spandrel-lezing de zuinigste. We hebben verbeelding, taal, sociaal vertrouwen en een brein dat waarneming met verwachting stuurt — vermogens met overduidelijk eigen nut, om heel andere redenen ontstaan. Richt die op een willige ander, met het juiste ritueel, en je krijgt hypnose. Geen apart orgaan, geen aparte selectiegeschiedenis. Het hangt ook samen met absorptie, het vermogen om volledig in een ervaring op te gaan — een algemene trek, geen hypnose-specifiek instrument.3 Hypnose is dan niet waarvoor we gebouwd zijn, maar iets wat de bouw toevallig toelaat.

“Maar het is erfelijk,” luidt het tegenargument, en dat klopt half. Eeneiige tweelingen lijken in hypnotiseerbaarheid op elkaar; twee-eiige duidelijk minder, en de familiepatronen zijn zo grillig dat de onderzoekers zelf een simpele genetische verklaring van de hand wezen.4 Maar zelfs met een erfelijke component zegt dat niets over het waarom. Erfelijkheid is geen aanpassing — ook een spandrel kan keurig overerven. Dat een trek deels in de genen zit, vertelt je niet waarvoor hij er is.

Een verhaal dat niet kan verliezen

Het echte bezwaar tegen Spiegels twee redenen is niet dat ze onwaar zijn, maar dat ze niets uitsluiten. Voor vrijwel elke eigenschap laat zich een overlevingsverhaal verzinnen, en achteraf klinkt het altijd logisch. Dat is geen toets, dat is een vertelling.

Hier moet ik eerlijk blijven, want de luie versie — “evolutionair verhaal, dus onzin” — deugt niet. Adaptieve hypotheses kúnnen worden getoetst, via voorspellingen over ontwerp, over universaliteit, over vergelijking tussen soorten. Toen Gould en Lewontin het veld bekritiseerden, was de gezonde uitkomst niet dat adaptieve verklaringen verdwenen, maar dat ze voortaan bewijs moesten leveren. Daar wringt Spiegels verhaal: het doet geen riskante voorspelling, en het onderscheidt zich nergens van de zuinige bijproduct-verklaring. Het wint door niets te wagen. We kwamen die beweging in deel 2 al tegen — een verklaring die niet kan verliezen, verklaart niets.

En het bekende patroon zit erin, nu in oervorm. Hypnotische pijnstilling werkt — maar dat bewijst niet dat roofdier-bevriezing de oorsprong is. Werkt-nu en ontstaan-daarvoor zijn twee verschillende dingen.

De gelijkenis die geen afstamming is

Die roofdier-bevriezing verdient een eigen blik, want het is Spiegels concreetste claim en zijn zwakste. Ze leunt op de oude gelijkstelling van hypnose met tonische immobiliteit — het “doodhouden” van een prooidier, ook wel “dierlijke hypnose” genoemd. Maar die naam is een vergissing met een lange baard: drie eeuwen geleden plakte men “hypnose” op dierlijke verstijving omdat het er hetzelfde uitzag.5 Gallup zette er in 1974 een streep door met een titel die alles zegt — de feitelijke status van een fictief begrip. Niet dat het gedrag niet bestaat: de verstijving is echt. Het is het etiket “hypnose” dat de fictie is. Het vakgebied heeft de term sindsdien grotendeels losgelaten.

En de gelijkenis valt uit elkaar zodra je verder kijkt dan de aanblik. Tonische immobiliteit is een laatste redmiddel: een onwillekeurige verstijving bij onontkoombare doodsdreiging, wanneer vechten en vluchten zijn mislukt. Klinische hypnose is het tegenovergestelde decor — ontspannen, coöperatief, een willige reactie op gegradeerde suggestie. Wat ze delen is “weinig beweging en minder pijn”, en daarop bouwt Spiegel een afstammingslijn. Het is dezelfde fout als bij theta: twee dingen die op elkaar lijken, gelijkgesteld omdat ze één oppervlakkig kenmerk delen. Gelijkenis is geen afstamming.

Geleend gezag uit de diepe tijd

Waarom doet dit ertoe? Omdat een oorsprongsverhaal iets verleent wat een techniek uit zichzelf niet heeft: vanzelfsprekendheid. “Hypnose is een oeroud, geëvolueerd overlevingsmechanisme” klinkt dieper, echter en onaantastbaarder dan “hypnose is gerichte suggestie die werkt via verwachting”. Het is geleend gezag — en we kennen het patroon. In deel 3 leende de claim haar gewicht van de hersengolf; hier leent ze het van de diepe tijd. De Griekse letter is ingeruild voor de oermens, maar de beweging is dezelfde: een verhaal dat groter klinkt dan het bewijs draagt.

De nuchtere versie is minder romantisch en eerlijker. We zijn hypnotiseerbaar omdat we een dier zijn dat zich dingen verbeeldt, taal gebruikt, op verwachting draait en elkaar vertrouwt — en hypnose is wat die vermogens toelaten wanneer je ze gericht aanspreekt. Geen oeroud sleutelgat dat met een reden bestaat, maar een neveneffect van hoe wij in elkaar zitten. Dat maakt het niet minder echt of minder bruikbaar; het maakt het gewoner.

Spiegel vroeg of we in het sleutelgat passen of de hacker zijn die de sleutel namaakt. Het eerlijkste antwoord is waarschijnlijk het tweede. Niet de natuur die ons voor trance ontwierp, maar wij die hebben geleerd een sleutel te steken in een slot dat voor iets anders bedoeld was.

Bronnen

  1. David Spiegel, in: Chris Williamson (host), “Hypnosis, Brain Hacking, & Mental Mastery — Dr David Spiegel”, Modern Wisdom, aflevering #985.
  2. Gould, S. J. & Lewontin, R. C. (1979). The Spandrels of San Marco and the Panglossian Paradigm: A Critique of the Adaptationist Programme. Proceedings of the Royal Society of London B, 205(1161), 581–598.
  3. Tellegen, A. & Atkinson, G. (1974). Openness to absorbing and self-altering experiences (“absorption”), a trait related to hypnotic susceptibility. Journal of Abnormal Psychology, 83(3), 268–277.
  4. Morgan, A. H., Hilgard, E. R. & Davert, E. C. (1970). The heritability of hypnotic susceptibility of twins. Behavior Genetics, 1, 213–224; en Morgan, A. H. (1973). The heritability of hypnotic susceptibility in twins. Journal of Abnormal Psychology, 82(1), 55–61.
  5. Gallup, G. G. (1974). Animal hypnosis: factual status of a fictional concept. Psychological Bulletin, 81(11), 836–853; en latere overzichten van tonische immobiliteit en thanatose.

Ontdek meer van

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

2 gedachten over “Het sleutelgat dat er met een reden zou zijn”

  1. mellowlimburger9c06b08d3b

    Niet de natuur die ons voor trance ontwierp, maar wij die hebben geleerd een sleutel te steken in een slot dat voor iets anders bedoeld was.

    Trance moet hier hypnose zijn.
    De natuur ontwierp ons voor trance, dieren bewijzen dit.

    Anders een top tekst! Waar ook Spiegel beter eens in de spiegel zou kijken.

    Grts, Jens

  2. Dank, Jens

    Die spiegel gun ik Spiegel van harte.

    Over “trance”: dat woord staat er met opzet. Het verwijst niet naar de techniek hypnose, maar naar het idee van een aparte, geëvolueerde toestand — en juist dáárvoor zijn we volgens het stuk niet ontworpen.

    En daar zit meteen ons enige verschil. “Dieren bewijzen het” is precies de stap die het artikel onder de loep neemt. Dat dieren bevriezen klopt — tonische immobiliteit is echt. Maar dat die verstijving op hypnose lijkt, maakt haar nog geen hypnose, en zeker niet de voorouder ervan. Gallup noemde “dierlijke hypnose” in 1974 al een fictief begrip: het gedrag bestaat, het etiket niet. En de twee vallen uit elkaar zodra je verder kijkt dan de aanblik — dierlijke immobiliteit is een onwillekeurig laatste redmiddel bij doodsdreiging, hypnose een willige reactie op suggestie. Een oude these, zeker. Maar afstamming wordt het daarmee niet.

    Dank voor het meelezen, groet terug.

Geef een reactie

Scroll naar boven