Vijfde stuk in de reeks over wat hypnose volgens de literatuur werkelijk kan, en waar het bewijs ophoudt.
In een slaaplab liggen de elektroden al op haar hoofd. Ze luistert naar een stem die haar vraagt dieper te slapen, en valt daarna in slaap voor een dutje van een half uur. Op de meetschrijver naast het bed gebeurt iets wat je zelden kunt zien: de trage golven van de diepe slaap worden talrijker en breder. De slaap verdiept zich, niet in een verslag achteraf, maar op het scherm, terwijl het gebeurt.
Het is een van de weinige plekken in dit hele veld waar een hypnotisch effect zich objectief laat aflezen. En juist daarom vraagt het om precisie, want de verleiding om er meer van te maken dan het is, is groot.
Wat er op het scherm gebeurde
De bevinding komt uit het werk van Cordi en Rasch. Zeventig gezonde jonge vrouwen luisterden vóór een middagdutje van negentig minuten naar óf een hypnotische suggestie om dieper te slapen, óf een neutrale tekst, en hun slaap werd objectief gemeten met polysomnografie en hoge-resolutie-EEG.1 Bij de veertien hoog suggestibele vrouwen nam de trage golfslaap toe van ongeveer zeventien naar eenendertig procent van de slaaptijd, een stijging van grofweg tachtig procent, met een reële effectgrootte.
Belangrijk is wat het wél en niet was. Het was een verdieping, geen verlenging. De totale slaaptijd nam niet toe, en de lichtere stadia en de remslaap veranderden niet. De onderzoekers rapporteerden ook minder tijd wakker, maar dat verschil was beschrijvend en haalde op zichzelf slechts een marginale significantie. De stevigste bevinding was de extra diepe slaap, niet het minder wakker liggen.1
De suggestibiliteit was geen bijkomstigheid. Bij laag suggestibele vrouwen verdiepte de slaap zich niet, en in één opzet zakte ze zelfs onder de controlewaarde. Wie het effect bewust probeerde na te bootsen, bracht het niet teweeg. En het kwam niet doordat er iets werd voorgelezen, noch door de verwachting dat luisteren zou helpen: een neutrale gesproken tekst en de enkele mededeling dat het zou werken leverden geen verdieping op. Het effect hing samen met de specifieke hypnotische suggestie, bij wie ervoor ontvankelijk was.1
Wat het vervolg liet zien
Later onderzoek nuanceerde het beeld zonder het te ontkrachten. Ook bij ouderen tekende zich een effect af, en in een nachtelijke studie met mannen en vrouwen nam de diepe slaap over de hele nacht toe met ongeveer een kwartier, bij beide geslachten, zodat de eerdere beperking tot vrouwen kwam te vervallen.2 Een latere studie vond bovendien bijpassende fysiologische verschuivingen. Eén waarschuwing wijst de andere kant op: na een verontrustende film voelde de slaap subjectief beter, terwijl de objectief gemeten diepe slaap niet toenam. Een prettiger slaapgevoel is niet hetzelfde als een veranderde slaaparchitectuur.
Een bevinding op ware grootte
Wat betekent dit dan? Niet dat hypnose slapeloosheid geneest. Meer diepe slaap tijdens een gecontroleerd dutje, bij een gezonde en ontvankelijke goede slaper, is iets anders dan een klinisch relevante vermindering van slapeloosheid bij iemand met chronische insomnia. De mensen in het lab waren geen patiënten. De winst zat in één slaapstadium, niet in de totale slaaptijd en niet in het geheugen. Het is de kernbeweging van deze reeks, opnieuw: een reëel, gemeten effect laat zich niet opblazen tot een klinische claim.
De slaap die zich niet laat dwingen
Chronische insomnia is bovendien een ander beest. Ze wordt breed begrepen als een toestand van verhoogde activatie, lichamelijk en mentaal: piekeren, controleren of het al lukt, de angst voor opnieuw wakker liggen.3 Slaap laat zich niet rechtstreeks bevelen. Juist de inspanning om in slaap te vallen kan de spanning verhogen die de slaap tegenwerkt, zodat proberen paradoxaal wakker houdt. Dat verklaart waarom ontspanning en hypnose hier intuïtief aantrekkelijk zijn. En het verklaart waarom een echte behandeling de slaap niet afdwingt, maar de cirkel eromheen aanpakt.
De eerlijke maat
Voor chronische insomnia is cognitieve gedragstherapie, CGT-i, de best onderbouwde en in de richtlijnen aanbevolen eerstelijnsbehandeling, boven medicatie.45 Hypnose bij slaap staat op dunnere grond. De literatuur is beperkt en heterogeen, met veel kleine studies van lage kwaliteit; hypnotherapie verkortte de inslaaptijd ten opzichte van een wachtlijst, maar niet overtuigend ten opzichte van een schijnbehandeling.67 Waar ze iets kan doen, zit dat waarschijnlijk in het verlagen van de spanning en de verwachting rond het slapengaan, als aanvulling binnen een bredere aanpak. Ze vervangt CGT-i niet.
Dat is geen zwakke boodschap. Het is een gemeten effect dat precies zo groot mag heten als het is, en geen millimeter groter.
Op bevel, en toch niet
In het lab liet de slaap zich verdiepen op een suggestie, zichtbaar op het scherm, bij wie ervoor openstond. Dat is een echte bevinding, en een mooie. Maar ze zegt iets over de architectuur van een gezonde slaap, niet over de nacht van wie klaarwakker naar het plafond ligt te staren.
Op het scherm verdiepte de slaap zich op bevel. In het bed van wie niet slapen kan, luistert ze naar niemand.
Bronnen
- Cordi, M. J., Schlarb, A. A., & Rasch, B. (2014). Deepening sleep by hypnotic suggestion. Sleep, 37(6), 1143–1152. ↩
- Cordi, M. J., Rossier, L., & Rasch, B. (2020). Hypnotic suggestions given before nighttime sleep extend slow-wave sleep as compared to a control text in highly hypnotizable subjects. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis, 68(1), 105–129. Zie ook Cordi et al. (2015), waarin bij gezonde oudere vrouwen een vergelijkbaar effect op de trage-golfslaap werd gevonden, en vervolgonderzoek naar fysiologische maten. ↩
- Riemann, D., Spiegelhalder, K., Feige, B., et al. (2010). The hyperarousal model of insomnia: a review of the concept and its evidence. Sleep Medicine Reviews, 14(1), 19–31. ↩
- Edinger, J. D., Arnedt, J. T., Bertisch, S. M., et al. (2021). Behavioral and psychological treatments for chronic insomnia disorder in adults: an American Academy of Sleep Medicine clinical practice guideline. Journal of Clinical Sleep Medicine, 17(2), 255–262. ↩
- Qaseem, A., Kansagara, D., Forciea, M. A., et al. (2016). Management of chronic insomnia disorder in adults: a clinical practice guideline from the American College of Physicians. Annals of Internal Medicine, 165(2), 125–133. ↩
- Lam, T. H., Chung, K. F., Yeung, W. F., et al. (2015). Hypnotherapy for insomnia: a systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. Complementary Therapies in Medicine, 23(5), 719–732. ↩
- Chamine, I., Atchley, R., & Oken, B. S. (2018). Hypnosis intervention effects on sleep outcomes: a systematic review. Journal of Clinical Sleep Medicine, 14(2), 271–283. ↩
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
