De juiste vraag, het verkeerde antwoord — en waarom de kliniek hem tóch grotendeels gelijk gaf
John Sarno was revalidatiearts aan de New York University. Hij behandelde decennialang patiënten met chronische rugpijn, en hij deed iets wat veel van zijn collega’s niet deden: hij weigerde de pijn één-op-één aan de beeldvorming te koppelen. Een hernia op de MRI, redeneerde hij, is niet vanzelf de oorzaak van de pijn — want talloze mensen lopen met diezelfde afwijking rond zonder enige klacht.
Die observatie was juist, is sindsdien ruimschoots bevestigd, en is het waardevolste wat in dit boek staat. Het probleem zit niet in wat Sarno zág, maar in de verklaring die hij eraan ophing.
Wat Sarno beweert
Het centrale mechanisme in The Divided Mind is dit — en het is belangrijk om het consequent als Sarno’s model te lezen, niet als gegeven: het brein zou pijn produceren als afleidingsmanoeuvre. In het onbewuste zou onderdrukte woede zitten — woede die te gevaarlijk voelt om te ervaren — en het brein zou de aandacht naar het lichaam verleggen om die woede verborgen te houden. De pijn zelf verklaart hij fysiologisch via milde zuurstofonderdrukking (ischemie) in spier of zenuw.
De aandoening doopt hij Tension Myositis Syndrome (TMS), en hij rekt het op tot ver voorbij rugpijn: fibromyalgie, maag-darmklachten, migraine, huidaandoeningen.
Twee dingen vallen meteen op aan dit raamwerk. Het is Freudiaans — een onbewust reservoir van verdrongen emotie dat zich ontlaadt in een symptoom. En het is, zoals hieronder blijkt, in deze vorm niet te weerleggen.
Wat hiervan klopt
De klinische kern is sterk en achteraf grotendeels gehonoreerd.
De mismatch tussen beeldvorming en klachten is reëel: degeneratieve afwijkingen, uitstulpingen en “slijtage” komen bij klachtenvrije mensen net zo vaak voor als bij mensen met pijn. Beeldvorming voorspelt de pijn slecht.
Veel chronische pijn is centraal gegenereerd, niet structureel. Pijn die door het brein wordt aangemaakt, door dreiging wordt gemoduleerd en afgeleerd kan worden, is geen randhypothese meer.
En één nuance van Sarno verdient het om bewaard te blijven, omdat populaire samenvattingen haar steevast verliezen: hij beweert niet dat de hernia verdwijnt. Hij beweert dat de pijn verdwijnt, omdat die niet door de hernia werd veroorzaakt. Op de MRI staat de afwijking er daarna gewoon nog. Dat onderscheid is precies goed.
Het probleem met zijn verklaring
Hier moet de eerlijke versie scherper zijn dan de hagiografie die rond Sarno is ontstaan.
De theorie is onfalsifieerbaar. Heb je pijn, dan is er verdrongen woede. Genees je na het lezen van zijn boek, dan klopt het model. Genees je niet, dan heb je het mechanisme niet écht doorzien, of zit de verdringing dieper. Geen denkbare uitkomst weerlegt de theorie — en een theorie die niet kán falen, verklaart in strikte zin niets. Dat het “elegant sluitend” oogt, is geen kracht maar precies het waarschuwingssignaal.
Het bewijs is ongecontroleerd. Sarno’s onderbouwing is klinisch succes: duizenden casussen in een zelfgeselecteerde, gemotiveerde, betalende populatie die zijn verklaring al geloofde voordat de behandeling begon. Dat is een toonbeeld van selectie- en verwachtingseffecten, geen gerandomiseerd onderzoek. Sarno erkent dit zelf — maar de erkenning maakt de conclusie niet sterker.
De ischemie is nooit aangetoond. De zuurstofonderdrukking is een gepostuleerd mechanisme, geen meting. Het als feit presenteren is hetzelfde soort overschot dat we elders bij wellnessclaims afwijzen.
Het “symptoomimperatief” — verdwijnt een symptoom zonder dat de oorzaak is aangepakt, dan verschijnt er een nieuw — voelt voor wie in de praktijk staat herkenbaar. Maar in Sarno’s formulering is ook dit onweerlegbaar: symptoomverschuiving telt per definitie als bevestiging. Herkenning uit de praktijk is geen bewijs; het is precies hoe een confirmation bias aanvoelt van binnenuit.
Een beter antwoord op dezelfde vraag
Sarno stelde de juiste vraag — waarom doet het zeer als er geen schade is? — en gaf er een Freudiaans, onfalsifieerbaar antwoord op. Het predictive-processing-model beantwoordt dezelfde vraag mechanistisch, en wél toetsbaar.
Op dit model is pijn geen uitlezing van weefselschade maar een inferentie: de beste gok van het brein over lichamelijke dreiging, gevormd door verwachtingen (priors) en bijgesteld door opgaande informatie. Bij chronische pijn raakt de prior — “hier is gevaar, hier is schade” — zó zwaar gewogen dat hij de feitelijke sensorische input overstemt. En de prior bevestigt zichzelf: pijn leidt tot bewaken en vermijden, dat leidt tot deconditionering en hypervigilantie, en dat levert het systeem nieuw “bewijs” voor dreiging. Een lus, geen lek.
Dit verklaart exact wat Sarno zag, zonder zijn motor:
- Waarom beeldvorming niet voorspelt — nociceptieve input is maar één bron van bewijs, en wordt zwaar afgewaardeerd zodra de prior dominant is.
- Waarom uitleg en geruststelling genezen — verlaag je de zekerheid (precisie) van de dreigingsprior, dan verschuift de inferentie en daalt de pijn. De gerandomiseerde Ashar-trial (JAMA Psychiatry, 2021), met Sarno-erfgenaam Howard Schubiner als co-auteur, liet ongeveer twee derde van de chronische-rugpijnpatiënten na vier weken (vrijwel) pijnvrij worden, met behoud over een jaar — en het effect werd gemedieerd door de afnemende overtuiging dát pijn op schade wees. Reattributie van dreiging dus, niet het “voelen” van opgeslagen woede.
- Waarom een symptoom kan verschuiven — een gegeneraliseerde dreigingsprior kan zich op meer dan één plek uiten. Dat is een bescheidener en toetsbaarder claim dan Sarno’s verdrongen woede die een nieuw mikpunt zoekt — en ook hier past terughoudendheid.
Geen reservoir, geen ontlading. Een model dat bijgesteld moet worden.
Wat dit betekent voor hypnotherapie
Hier durft dit boek vaak een brug te slaan die averechts werkt: hypnose zou hetzelfde bereiken als Sarno, namelijk toegang tot het onbewuste. Maar als je hypnotherapie vastknoopt aan Sarno’s reservoir-en-woede-mechanisme, verbind je je vak aan precies het deel dat niet houdbaar is.
De eerlijke brug loopt andersom, en is steviger. Hypnotische suggestie laat zich goed begrijpen als het opleggen van een sterk gewogen prior die waarneming en verwachting herschrijft — een precisie-interventie bij uitstek. Daarmee doet hypnotherapie mechanistisch hetzelfde als wat in de Ashar-trial werkte: niet opgeslagen emotie lozen, maar een over-zekere dreigingsprior corrigeren. De waarde van hypnotherapie hangt dus niet af van Sarno’s gelijk. Ze rust op het mechanisme dat het gecontroleerde bewijs juist ondersteunt.
Conclusie
The Divided Mind is het boek waarin Sarno het hardst inzet op een verklaring die de tijd niet heeft doorstaan, terwijl de observatie eronder verrassend goed standhield. Hij stelde de juiste vraag en gaf er een onfalsifieerbaar, Freudiaans antwoord op — maar dat antwoord is inmiddels vervangen door een toetsbaar model dat de klinische praktijk waar hij voor stond grotendeels rechtvaardigt.
Lezen blijft de moeite waard, mits met de juiste bril: scheid wat Sarno zag van hoe hij het verklaarde. Het eerste is waardevol. Het tweede is een historisch interessant, maar verouderd, denkkader.
Aanbevolen voor: wie de relatie tussen brein, dreiging en lichamelijke klacht serieus wil begrijpen — en bereid is Sarno’s verklaring te vervangen door een beter onderbouwde. Met een kanttekening voor: wie het boek leest als bevestiging dat onderdrukte emoties letterlijk ziekte veroorzaken. Dat is precies de stap die dit boek uitnodigt, en precies de stap die niet houdt.
📖 The Divided Mind — John E. Sarno | DuckWorth, 2007
Meer artikelen van John E. Sarno?
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
