Wat een tevreden cliënt niet bewijst

In discussies tussen therapeuten over de geldigheid van een bepaald model komt op een gegeven moment vrijwel altijd dezelfde zin voorbij. Iets in de geest van: “Ik werk hier al jaren mee en het werkt. Mijn cliënten zijn tevreden. Daar haal ik mijn leer uit, niet uit een boek.”

Het is een zin die moeilijk te weerleggen valt. Niet omdat hij onweerlegbaar is — hij is dat juist helemaal niet — maar omdat hij elke tegenwerping bij voorbaat afdoet als afstandelijke theorie. Wie iets terug zegt, krijgt te horen dat hij niet weet hoe het in de praktijk gaat. Het gesprek stopt voordat het begint.

En toch is het, vrees ik, een zin die we als beroepsgroep niet langer onbesproken kunnen laten. Niet omdat de mensen die hem uitspreken kwaad willen — meestal zijn het juist toegewijde werkers met veel hart voor hun cliënten. Maar omdat de zin een aantal aannames in zich draagt die, als je ze één voor één bekijkt, niet houden. En omdat de cliënt die we willen helpen er uiteindelijk de prijs voor betaalt.

Wat “het werkt” betekent

Begin bij het woord werkt. Wat meet je precies, als je zegt dat iets werkt?

In de meeste praktijken komt het neer op: cliënten gaan tevreden de deur uit, sommigen sturen later een aardig berichtje, een deel verwijst vrienden door. Dat is informatie. Maar het is geen informatie over of de gehanteerde methode beter is dan een andere methode, of beter dan helemaal geen methode. Het is informatie over of er iets is gebeurd in de relatie tussen therapeut en cliënt waar de cliënt iets aan had.

Dat iets kan van alles zijn. Een uur lang serieus aangehoord worden. De ervaring dat iemand met overtuiging spreekt. Een ritueel dat structuur biedt aan een vage zorg. Een verhaal dat het probleem hanteerbaar maakt. Hoop, in de meest letterlijke zin. Geen van deze dingen vraagt om een specifieke methode. Een homeopaat levert ze. Een tarotkaartlegger levert ze. Een priester levert ze. Een goed gesprek aan de keukentafel levert ze.

Dat is geen aanval op therapie. Het is een waarschuwing tegen een specifieke denkfout: dat tevredenheid van cliënten bewijst dat het model waarmee je werkt klopt. Tevredenheid bewijst dat je iets goed doet. Dat is iets heel anders.

Wat de therapeut niet ziet

Een tweede probleem: de therapeut is precies de verkeerde persoon om in te schatten of zijn methode werkt. Niet omdat hij dom is of niet eerlijk, maar omdat het menselijke geheugen zo niet werkt.

Wie tien jaar in een praktijk staat, ziet de cliënten die terugkomen. Die schrijft hij bewust en onbewust toe aan het feit dat zijn aanpak goed was. De cliënten die niet terugkomen ziet hij niet — en die zijn nu juist degenen waar je iets over zou willen weten. Was het probleem opgelost? Werd het erger? Vond ze het waardeloos maar durfde ze niet terug te bellen? Heeft hij iemand schade berokkend zonder het te merken?

Dat is geen hypothetische zorg. Replicatie-onderzoek in de psychologie laat keer op keer zien dat therapeuten hun eigen effectiviteit systematisch overschatten — niet omdat ze opscheppen, maar omdat ze alleen zien wat ze kunnen zien. Het is de reden waarom systematisch onderzoek überhaupt bestaat. Niet om praktijkkennis te kleineren, maar om datgene zichtbaar te maken wat individuele ervaring per definitie mist.

Wie dan zegt “ik vertrouw op mijn praktijk, niet op onderzoek”, beschrijft niet zijn vertrouwen — hij beschrijft een blinde vlek die hij heeft besloten niet langer te willen zien.

De pragmatische uitvlucht

De derde aanname zit in de afsluiter die in dit soort discussies vaak opduikt: “En zolang het werkt, is dat toch goed?”

Dat klinkt redelijk. Het is ook redelijk, op de korte termijn. Maar het gaat alleen op als werken een afgebakend en helder begrip is. En dat is het niet.

Een cliënt die zijn agressie aan zijn reptielenbrein toeschrijft, voelt zich opgelucht. Hij heeft een verklaring. Hij betaalt de therapeut tevreden en gaat naar huis. Heeft het gewerkt? Op de korte termijn ja, in de zin dat de spanning is afgenomen. Op de lange termijn is het minder duidelijk. Heeft hij geleerd zijn reacties te herkennen voordat ze toeslaan? Of heeft hij een excuus meegekregen dat hij de volgende keer kan inzetten zodra hij door het lint gaat? Sorry, het was mijn reptielenbrein.

Een cliënte met overgewicht die hoort dat ze “kwantumvelden uit balans heeft”, voelt zich gezien. Het probleem heeft een naam, en de naam klinkt diep. Heeft het gewerkt? Ze voelt zich beter na de sessie. Of het haar in beweging zet richting werkelijke verandering, of haar juist verder van haar lichaam wegleidt, is een tweede vraag die in het werken-frame niet eens gesteld wordt.

Een cliënt die leert dat 99,9995% van zijn gedrag onbewust ontstaat, krijgt een wereldbeeld mee waarin zijn eigen keuzes in feite niet bestaan. Heeft het gewerkt? In de sessie wel — de zorg om zelf grip te krijgen is verlicht. Daarbuiten? Hij heeft net het instrument afgeleerd waarmee hij zijn leven kan vormgeven.

In alle drie de gevallen heeft de cliënt iets gekregen waar hij zich beter door voelt. In alle drie de gevallen is de vraag of hij geholpen is — werkelijk vooruit geholpen, vrijer dan voorheen — een open vraag. En zonder kader om die vraag te stellen, zonder iets buiten je eigen praktijk waar je tegen ijkt, krijg je nooit antwoord.

Wat dan wél?

Dit is geen pleidooi om elke therapeut alleen nog evidence-based protocollen te laten draaien. Dat zou armoede zijn en geen recht doen aan wat ervaren werkers wel degelijk weten dat onderzoekers nooit zullen weten. Goede praktijkkennis is geconcentreerde, gevoelige aandacht — dat zit niet in een handboek.

Het is wel een pleidooi voor één specifieke houding: de bereidheid om je eigen werk te laten corrigeren door iets buiten jezelf. Een literatuurnotitie waar je niet blij van wordt, een collegiaal gesprek waarin je tegenspraak krijgt, een artikel dat een aanname onder je werk ondergraaft. Wie zegt “ik heb geen boeken nodig, ik heb mijn praktijk”, sluit precies dat correctiekanaal af. En een werker zonder correctiekanaal werkt in feite alleen nog maar met zichzelf — hoe veel cliënten er ook in en uit lopen.

Dat is misschien wel de scherpste vraag die je een therapeut kunt stellen: wie of wat zou jou kunnen corrigeren? Als het antwoord “alleen mijn eigen ervaring” is, dan is er geen correctie mogelijk. Dan is elke verbetering van het werk afhankelijk van toeval. Dan is het vak gestold.

En dan komt het echte verschil tussen praktijk en wetenschap niet aan het licht — want dat is een schijntegenstelling. Het echte verschil is tussen vak dat zichzelf wil verbeteren en vak dat zichzelf wil bevestigen.

De cliënt heeft betaald voor je eerlijkheid

De cliënt komt naar je toe omdat hij vastloopt. Hij betaalt jou niet alleen voor effectiviteit op de korte termijn — hij betaalt jou voor het beste wat je hem kunt geven aan inzicht, instrument en autonomie. Hij betaalt jou voor de eerlijkheid om te zeggen “ik weet niet zeker of dit klopt, maar het is mijn beste poging”, in plaats van een wereldbeeld in zijn hoofd te installeren dat hem het volgende decennium begeleidt.

Wie alleen op tevredenheid stuurt, verkoopt hem iets minder dan dat. Vaak zonder het zelf in de gaten te hebben.

Dat is geen verwijt aan toegewijde collega’s. Het is een uitnodiging aan elke werker — inclusief mezelf — om de vraag werkt het? te vervangen door een betere: vrijer of afhankelijker? Toetsbaar of niet toetsbaar? Geleend gezag, of eigen oordeel? Dat zijn de vragen die de cliënt verdient.

En als we eerlijk zijn — wij allemaal — dan kost het beantwoorden ervan ons soms een aantal van onze favoriete zinnen. Inclusief de 11,2 miljoen bits per seconde. Inclusief het reptielenbrein. Inclusief de quantum-uitleg van het lichaam. Inclusief, soms, een stuk van het zelfvertrouwen waar we onze praktijk op gebouwd hebben.

Dat is een prijs. Maar het is een prijs die wij betalen — en het is de enige prijs in deze hele transactie waarvan we niet stilzwijgend onze cliënten kunnen laten meebetalen.


Ontdek meer van

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Scroll naar boven