Over een huisarts, Anil Seth, en de vraag wat er overblijft als het zelf wegvalt
Vanmorgen kwam ik op LinkedIn een mooie tekst tegen van een huisarts. Hij wil iets troostends de wereld in brengen — en dat is op zichzelf een sympathiek streven. Zijn boodschap, kort samengevat: bewustzijn is niet alleen een product van de hersenen. Bijna-doodervaringen zouden aantonen dat er iets aanwezig blijft als het lichaam uitvalt. Een innerlijke vonk. Wat velen door de eeuwen heen de ziel hebben genoemd.
Ik wil zijn tekst niet afkraken. Ik wil hem gebruiken om iets te laten zien dat me als hypnotherapeut opvalt: er staan twee soorten troost tegenover elkaar in dit soort discussies, en de ene is veel robuuster dan de andere. Daarvoor moeten we eerst kijken naar hoe zijn tekst eigenlijk werkt.
De inductie
Lees het stuk nog eens. Het opent met wat in hypnose een yes-set heet: een reeks uitspraken waarmee je het bijna onmogelijk oneens kunt zijn. “Als huisarts zie ik dagelijks hoe sterk de moderne geneeskunde gericht is op het lichaam. Dat is begrijpelijk. We kunnen meten, scannen, onderzoeken en behandelen.” Wie gaat dat tegenspreken? Niemand. En precies dat is het punt — drie keer ja maakt het vierde ja makkelijker.
Dan introduceert hij een mysterie. “Wat is bewustzijn eigenlijk? En waar bevindt het zich?” Een open vraag, wetenschappelijk gerespecteerd, die ruimte creëert. Vervolgens komen Pim van Lommel en Raymond Moody erbij — twee namen die voor de lezer autoriteit suggereren. En dan, langzaam, schuift hij van beschrijving naar suggestie.
De cruciale zin is deze: “Wij zijn veel meer dan ons lichaam.”
Kijk wat daar gebeurt. Eerst sprak hij over “sommigen” die “rapporteerden” — voorzichtig, voorwaardelijk, in de derde persoon. Nu, twee zinnen later, staat er wij. De lezer is opeens onderdeel van een gedeelde conclusie zonder dat hij ergens heeft ingestemd. In hypnose noemen we dat de overgang van pacing naar leading: je loopt eerst met de cliënt mee, en dan, op het juiste moment, neem je de leiding.
En dan komt de embedded command, vier woorden lang: “Wetenschappelijk bewezen en ervaren.” Kort, stellig, niet onderbouwd, en geplaatst direct na een emotioneel beeld (“een innerlijke vonk”). De lezer leest erover heen voordat hij doorheeft dat hier iets stevigs wordt beweerd.
Het stuk eindigt met een retorische vraag: “Als bewustzijn kan bestaan zonder aantoonbare hersenactiviteit, wat zegt dat dan over wie wij werkelijk zijn?” De premisse — bewustzijn zonder hersenactiviteit — wordt verondersteld waar te zijn. Dat is een post-hypnotische suggestie: je accepteert iets door over de implicaties ervan na te denken.
Niets van dit alles is kwaadaardig. Ik denk oprecht dat de huisarts gelooft wat hij schrijft en dat hij zijn lezers iets goeds wil geven. Maar het is hypnose. Een goede hypnotherapeut herkent zijn eigen technieken in andermans teksten.
Het wankele fundament
Voor de troost werkt, moet de lezer geloven dat er bewijs is. En daar wringt het. Van Lommels Lancet-publicatie uit 2001 wordt routinematig overdreven samengevat. Wat hij aantoonde: ongeveer 18% van de overlevenden van een hartstilstand rapporteerde achteraf een bijna-doodervaring. Wat hij niet aantoonde: dat die ervaring plaatsvond tijdens het vlakke EEG.
Het tijdstip van de ervaring is namelijk niet vast te stellen. Een herinnering die je achteraf vertelt kan zijn ontstaan in de minuten vóór bewusteloosheid, of tijdens het herstel, of zelfs geconstrueerd zijn in de uren erna toen het brein de gebeurtenissen probeerde te integreren. Daarbij: een vlak ECG, dat de huisarts noemt, zegt sowieso niets over de hersenen — een ECG meet het hart. En een vlak EEG aan de scalp sluit diepere of kortdurende hersenactiviteit niet uit, alleen meetbare corticale activiteit. Een aanzienlijk deel van de patiënten heeft tijdens reanimatie nog een bloeddruk die net hoog genoeg is om enige bewustzijnstoestand mogelijk te maken.
De AWARE-studies van Sam Parnia (2014 en een vervolg in 2023) waren juist ontworpen om objectief verifieerbare buitenlichamelijke waarnemingen te detecteren — beelden hoog in de behandelkamer opgehangen die alleen iemand “boven” zijn lichaam zou kunnen zien. Geen enkele patiënt heeft er ooit één correct beschreven.
“Wetenschappelijk bewezen” is dus niet waar. “Wetenschappelijk onderzocht en omstreden geïnterpreteerd” zou eerlijker zijn. Maar dat is precies de taal die de troost ondermijnt.
De andere hypnose
Hier komt Anil Seth in beeld. In Being You (2021) beschrijft hij bewustzijn vanuit het predictive coding-model: het brein is geen passieve ontvanger van zintuiglijke prikkels, maar een continu hypothesemakend systeem dat voorspellingen genereert en die toetst aan binnenkomende signalen. Wat we ervaren is geen weergave van de werkelijkheid, maar het beste model dat het brein op dit moment kan maken.
En het zelf? Het zelf, zegt Seth, is geen ding dat ergens zit. Het is een perceptie. Net zoals het brein een model maakt van een rood blok op tafel, maakt het ook een model van degene die naar het blok kijkt. “The self is a perception, not a thing.” Het gevoel van een continu, onveranderlijk ik dat door je leven heen reist is een hardnekkige voorspelling die het systeem genereert om de wereld coherent te houden.
Dat is wennen. En het is, in eerste instantie, niet noodzakelijk troostend. Maar kijk wat er gebeurt als je deze visie naast die van de huisarts legt. De huisarts biedt troost via continuïteit van het persoonlijke: jouw vonkje gaat door. Seth biedt iets wat radicaler is: er was eigenlijk nooit een afgescheiden vonkje om mee te beginnen. Wat we ik noemen is een proces, geen object. En een proces kun je niet verliezen op dezelfde manier waarop je een ding kunt verliezen.
De boeddhistische parallel
Het opvallende — en misschien is dit waarom Seth’s boek bij sommige lezers binnenkomt als iets bevrijdends in plaats van iets kouds — is hoe nauw dit aansluit bij wat het Boeddhisme al 2500 jaar zegt over anatta, niet-zelf. De vijf skandha’s (vorm, gevoel, perceptie, mentale formaties, bewustzijn) zijn precies de soort componenten waarvan boeddhisten zeggen: zoek het zelf erin en je vindt het niet. Vervang skandha’s door “predictive models op verschillende hiërarchische niveaus” en je hebt Seth.
Het verschil zit hem in wat erna komt. Voor Seth is dit een wetenschappelijke conclusie. Voor het Boeddhisme is anatta een diagnose mét een behandelplan: het inzicht moet belichaamd worden, anders blijft het een idee dat je intellectueel kunt beamen terwijl je gevoelsmatig nog steeds rondloopt alsof er een klein iemand achter je ogen zit.
Alan Watts heeft die brug misschien wel het mooist geformuleerd: “You are the universe experiencing itself.” Geen ziel die in een lichaam huist en ontsnapt bij de dood. Geen vonkje dat blijft. Maar ook geen koude leegte. Een proces dat zichzelf even bekijkt door deze ogen, deze huid, dit brein, op dit moment.
Welke hypnose werkt beter?
De huisarts biedt troost die afhankelijk is van een metafysische belofte. Geloof dat er een ziel is, geloof dat bewustzijn de hersenen kan verlaten, en je hoeft niet bang te zijn voor het einde. Dat soort troost is breekbaar. Zodra de bewijslast wankelt — en die wankelt — wankelt de troost mee. Het is geleende veiligheid.
De troost die uit Seth en het Boeddhisme komt is anders. Er valt niets te geloven. Er valt iets te zien. Dat het zelf zoals je het ervaart een constructie is, en dat wat je werkelijk bent niet die constructie is maar het levende proces eronder. Dat is geen hoop, het is een waarneming. En waarnemingen verdampen niet zodra een Lancet-artikel anders blijkt te liggen dan je dacht.
Allebei zijn het hypnoses, op een manier. Allebei nodigen ze de lezer uit om de werkelijkheid op een bepaalde manier te zien. Maar de ene leunt op suggestie en wankel bewijsmateriaal, en de andere schurkt zo dicht mogelijk aan tegen wat we werkelijk weten over hoe ervaring tot stand komt.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
