De opgraving die niets hoefde te vinden

Het verzorgingstehuis van mijn oma had een lift. Ik nam de trap. Het was maar één verdieping, en ik was een kind dat liever treden telde dan deuren zag dichtschuiven.

Wanneer mijn oma overleed, weet ik niet meer. Wel dat het vóór 1983 was. In dat jaar was ik vijftien en kwam De Lift uit, de film van Dick Maas over een lift die zijn passagiers ombrengt. Ik heb hem gezien. Daarna meed ik liften, lange tijd.

Stel dat ik met die angst bij een regressietherapeut was beland. Die was op zoek gegaan naar de oorzaak, en had er een gevonden. De vraag is welke. En of het vinden er iets toe doet.

Graven versus herschrijven

Regressie bestaat in veel varianten, onder steeds nieuwe namen. Wat ze delen, is het beeld van de therapeut als archeoloog. Ergens in het verleden ligt een moment waarop de klacht ontstond. De cliënt gaat diep in trance, de therapeut graaft, en wie dat moment vindt en verandert, haalt het oude programma weg uit het onbewuste. Bij liftangst ligt het verhaal klaar: ooit zat je vast in een lift.

Een deel van die redenering houdt stand. Een nare ervaring opnieuw beleven zonder dat er iets aan verandert, levert weinig op. Dat geldt voor regressie zoals het geldt voor catharsis. Inzicht is geen verandering. Er verandert pas iets als iemand de herinnering anders gaat zien, er iets aan toevoegt, er een ander gevoel bij krijgt.

Aan dat punt wordt een tweede bewering vastgeknoopt: verandering werkt alleen als eerst de oorsprong is opgespoord. Wie niet diep genoeg graaft, plakt een pleister op een wond die blijft etteren. Dat is geen uitwerking van het eerste punt. Het is een ander punt, en het rust op drie aannames. Angst heeft één eigen begin. Diepe trance brengt dat begin betrouwbaar boven. En wie het begin mist, krijgt de klacht terug in een andere vorm. Alle drie wankelen.

De film die landde

Het liftvoorbeeld gaat uit van directe conditionering: je zat vast, dus je bent bang. Dat is één route. Stanley Rachman beschreef er in 1977 drie: een eigen nare ervaring, zien wat een ander overkomt, en informatie die je wordt verteld.1 Bij de tweede en de derde route hoef je nooit in de buurt van het gevreesde te zijn geweest. Rachman schreef dat juist als kritiek op een verklaring die alles aan directe conditionering ophing.

Richie Poulton en Ross Menzies gingen een stap verder. Zij bespreken aanwijzingen dat sommige evolutionair relevante angsten, zoals hoogtevrees en angst voor water, kunnen ontstaan zonder dat ze eerst zijn aangeleerd.2 Dat is een model met ondersteunend onderzoek, geen bewijs dat elke angst aangeboren is. Maar het maakt de vanzelfsprekendheid van een oorspronkelijk moment kleiner.

Ook bij mensen met een vastgestelde fobie valt het directe model niet altijd te vinden. In een klassiek onderzoek van Lars-Göran Öst en Kenneth Hugdahl schreef 58 procent van de klinische deelnemers hun fobie toe aan een conditioneringservaring.3 Dat is ruim de helft. Het is ook een toeschrijving achteraf, geen vastgestelde oorzaak, en een flink deel van de deelnemers wees iets anders aan.

Films laten de tweede route zien. Over De Lift wordt geregeld verteld dat kijkers daarna de trap namen. Er zijn zulke verhalen te vinden, maar onderzoek naar de omvang of duur van dat effect heb ik niet gevonden. Voor filmangst in het algemeen, en Jaws in het bijzonder, ligt het steviger. Kristen Harrison en Joanne Cantor vroegen 153 studenten naar angst na beangstigende films en televisie. Bijna negen op de tien herinnerden zich zo’n ervaring, en ruim een kwart rapporteerde bij de meting nog restangst. Een aanzienlijk deel was situaties uit de film gaan vermijden of zag er tegenop.4 Cantor beschreef later 23 studenten die Jaws als kind hadden gezien en daarna bang waren om te zwemmen, ook in meren en zwembaden waar geen haai kon zitten.5 Het zijn herinneringen achteraf van een geselecteerde groep, geen percentages van alle kijkers. Ze laten wel zien dat een angst een bron kan hebben die je nooit zelf hebt meegemaakt.

Mijn eigen geval, een steekproef van één, voegt daar een laag aan toe. De film was niet het begin. Het kind op de trap bij oma was er eerder. De Lift landde op iets dat er al lag en maakte het groter. Een therapeut die graaft, vindt hier minstens twee kandidaten. En onder de vroegste ligt de vraag waarom dat kind al bang was. Er is altijd een laag dieper. De laag waar je stopt met graven, is de laag die het verhaal rond maakt.

Stelliger, niet scherper

Ik weet niet meer wanneer mijn oma overleed. De grote lijn is er, de datering is weg. Zo werkt geheugen: het bewaart betekenis en reconstrueert de rest. Hoe dat bij regressie uitpakt, beschreef ik eerder. Hier gaat het om één aanvulling. Een sessie die het begin van mijn liftangst zocht, had die datum misschien wel opgeleverd. En ik had erin geloofd.

Nancy Steblay en Rodney Bothwell bundelden 24 laboratoriumstudies naar herinneringen onder hypnose. Gehypnotiseerde deelnemers hadden meer vertrouwen in hun herinneringen, voegden vaker uit zichzelf onjuiste details toe en vormden vaker pseudoherinneringen, zonder dat hun juistheid in het algemeen verbeterde.6 Het beeld is niet helemaal eenduidig. Bij een tussenpoos van een à twee dagen deden gehypnotiseerde deelnemers het op niet-sturende vragen gemiddeld iets beter, bij kortere en langere intervallen slechter. En het onderzoek ging over getuigenverklaringen, niet over therapie. De richting is helder genoeg: hypnose maakt herinneringen stelliger, niet scherper.

Dat raakt ook het argument van de diepte. Wie diepe trance vaststelt met een vastgeplakte hand of oogleden die niet meer open willen, meet vooral hoe sterk iemand op suggesties reageert. Een hoge score op die tests is een teken van ontvankelijkheid. Bij het zoeken naar een herinnering is dat geen garantie. Het is eerder een reden voor voorzichtigheid.

Het symptoom dat niet verhuisde

De derde aanname is een waarschuwing. Wie de oorzaak mist, krijgt de klacht terug in een andere gedaante. Het idee heet symptoomsubstitutie en komt uit de psychodynamische traditie. Toen gedragstherapeuten halverwege de vorige eeuw angsten direct gingen behandelen, zonder naar een onderliggend conflict te zoeken, werd het een toetsbare voorspelling. Warren Tryon beschrijft hoe de vraag daarna uit beeld raakte zonder definitief antwoord, mede omdat de voorspelde vervanging in onderzoek niet duidelijk opdook en mede door methodologische problemen.7 Bewezen afwezig is het daarmee niet. Een vaststaand gevaar evenmin.

Belangrijker is de vorm van de redenering. Komt de klacht na de behandeling niet terug, dan was de oorzaak gevonden. Komt ze wel terug, of verschijnt er iets anders, dan was er niet diep genoeg gegraven. Een verklaring die bij elke uitkomst gelijk krijgt, verklaart niets.

Angst kan wel terugkomen, maar om een andere reden. Mark Bouton laat zien dat uitdoving het oorspronkelijke leren niet uitwist. Er komt nieuw leren bij, en dat nieuwe leren is sterk gebonden aan de context waarin het plaatsvond.8 Wie in de behandelkamer zijn angst verliest, kan hem in een volle lift op het station terugvinden. Dat is geen symptoom dat verhuist. Het is een oude reactie die in een nieuwe omgeving weer aanslaat. De belofte dat een wond nooit meer terugkomt, past daar slecht bij.

Vinden versus maken

Daarmee is niet gezegd dat werken met herinneringen zinloos is. Er bestaat een techniek die er veel op lijkt en die behoorlijk onderzocht is: imagery rescripting. De cliënt roept een beladen herinnering op en laat die anders verlopen. Iemand grijpt in, het kind krijgt hulp, de situatie krijgt een ander einde. Nexhmedin Morina, Jaap Lancee en Arnoud Arntz bundelden 19 studies met samen 363 volwassen patiënten, waarvan zeven gerandomiseerd en gecontroleerd. Ze vonden grote effecten op klachten die met nare herinneringen samenhangen.9 De auteurs noemen die uitkomst voorlopig: weinig gerandomiseerde studies, veel voor-na-vergelijkingen. En niets in die resultaten zegt dat een herinnering wordt gewist of historisch rechtgezet.

Het verschil met de opgraving zit in de volgorde. Imagery rescripting begint bij de herinnering zoals iemand die nu met zich meedraagt. Of die herinnering historisch klopt, is voor de techniek geen voorwaarde. Wat verandert, is de betekenis die ze vandaag heeft. Daar hoeft niemand eerst voor te graven tot een oorspronkelijk moment.

Dat werpt een ander licht op regressiesessies die wel helpen. Wie in trance een herinnering opzoekt en haar vervolgens laat veranderen, doet in de tweede helft iets wat op rescripting lijkt. Het resultaat kan echt zijn. Het bewijst alleen niet dat de eerste helft, het vinden van de oorsprong, het werk deed. Opvallend genoeg geven aanbieders van oorsprongsgerichte regressie hun cliënten soms zelf de tip om thuis met herinneringen te spelen: kleuren veranderen, geluiden toevoegen, het beeld lichter maken. Zonder trance en zonder opgraving. Als dat helpt, doet het herschrijven het werk.

Ik nam bij oma de trap, en na De Lift bleef ik hem jarenlang nemen. Tegenwoordig stap ik in een lift als het nodig is. De trap neem ik nog steeds, twee treden tegelijk, eerst om sneller boven te zijn en later ook om de beweging. Welke tree de eerste was, heeft niemand opgegraven. Het verleden bleef waar het was. De trap kreeg een andere reden.

Bronnen

  1. Rachman, S. (1977). The conditioning theory of fear-acquisition: A critical examination. Behaviour Research and Therapy, 15(5), 375–387. https://doi.org/10.1016/0005-7967(77)90041-9 ↩
  2. Poulton, R., & Menzies, R. G. (2002). Non-associative fear acquisition: A review of the evidence from retrospective and longitudinal research. Behaviour Research and Therapy, 40(2), 127–149. https://doi.org/10.1016/S0005-7967(01)00045-6 ↩
  3. Öst, L.-G., & Hugdahl, K. (1981). Acquisition of phobias and anxiety response patterns in clinical patients. Behaviour Research and Therapy, 19(5), 439–447. https://doi.org/10.1016/0005-7967(81)90134-0 ↩
  4. Harrison, K., & Cantor, J. (1999). Tales from the screen: Enduring fright reactions to scary media. Media Psychology, 1(2), 97–116. https://doi.org/10.1207/s1532785xmep0102_1 ↩
  5. Cantor, J. (2004). “I’ll never have a clown in my house”: Why movie horror lives on. Poetics Today, 25(2), 283–304. https://doi.org/10.1215/03335372-25-2-283 ↩
  6. Steblay, N. M., & Bothwell, R. K. (1994). Evidence for hypnotically refreshed testimony: The view from the laboratory. Law and Human Behavior, 18(6), 635–651. https://doi.org/10.1007/BF01499329 ↩
  7. Tryon, W. W. (2008). Whatever happened to symptom substitution? Clinical Psychology Review, 28(6), 963–968. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2008.02.003 ↩
  8. Bouton, M. E. (2004). Context and behavioral processes in extinction. Learning & Memory, 11(5), 485–494. https://doi.org/10.1101/lm.78804 ↩
  9. Morina, N., Lancee, J., & Arntz, A. (2017). Imagery rescripting as a clinical intervention for aversive memories: A meta-analysis. Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry, 55, 6–15. https://doi.org/10.1016/j.jbtep.2016.11.003 ↩

Ontdek meer van

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie

Scroll naar boven