Wie gaat er sneller onder: de goedgelovige of de scepticus? De meeste mensen hoeven daar niet lang over na te denken. De goedgelovige, natuurlijk. Wie alles slikt, slikt ook een suggestie, en wie scherp nadenkt, laat zich niet inpakken door een zachte stem en een aftelling van tien naar nul. Het klinkt als gezond verstand.
Het onderzoek ziet het anders. Interessanter nog: het laat zien waar het gezonde verstand de draad kwijtraakt.
Slim en toch onder
Sinds de jaren dertig zoeken onderzoekers naar wat hypnotiseerbare mensen gemeen hebben. De opbrengst is vooral een lijst van wat het níet is. Gangbare persoonlijkheidskenmerken hangen nauwelijks samen met hypnotiseerbaarheid; de gevonden verbanden blijven ver onder wat een persoonlijkheidstest doorgaans aan gedrag voorspelt.1 De goedgelovige van het gezonde verstand komt in die lijst niet voor.
Bij intelligentie is het beeld rommelig. In een studie onder honderd scholieren van vijftien tot negentien jaar vonden onderzoekers in de groep als geheel geen verband. Bij meisjes hing hypnotiseerbaarheid zwak positief samen met intelligentie, vooral met verbale intelligentie. Bij jongens was het verband negatief, en samen hieven de twee elkaar op.2 Geen spoor van “wie slim is, gaat niet”.
Hoe glad dit terrein is, liet een studie uit 1964 zien. Shor, Orne en O’Connell vermoedden op grond van jarenlange laboratoriumervaring dat hypnotiseerbaarheid los staat van intelligentie. Eerdere onderzoekers die wel een positief verband vonden, hadden volgens hen een verklaring buiten de proefpersoon: een hoogleraar die zijn eigen studenten test, spreekt misschien de slimmere beter aan. In hun eigen groep van 25 proefpersonen vonden ze vervolgens een negatief verband. Hun voorzichtige verklaring: misschien hadden ze te hard hun best gedaan om géén verband te vinden.3 Ook de wetenschap van de suggestie is niet immuun voor suggestie.
Opgaan is geen slikken
Er is één eigenschap die wél terugkomt: absorptie, het vermogen om helemaal op te gaan in een ervaring. Een roman waarin de kamer verdwijnt, muziek die de tijd oprekt, een film waarna je even moet bijkomen. Het is de betrouwbaarste correlaat van hypnotiseerbaarheid, al is het verband te zwak om iemands hypnotiseerbaarheid vooraf met een vragenlijst te voorspellen.1
Het beslissende detail zit in wat absorptie niet is. Absorptie valt onder openheid voor ervaring, een van de grote persoonlijkheidsdimensies. Maar openheid is een verzamelbak met zes facetten. Absorptie hangt samen met de verbeeldende kant daarvan: fantasie, esthetiek en gevoel. Niet met handelingen, ideeën en waarden. Hypnotiseerbaarheid hangt op haar beurt samen met absorptie, maar niet met intellectance, het deel van openheid dat over denken en analyseren gaat.4
Opgaan in iets is iets anders dan iets voor waar aannemen. Wie diep wegzakt in een roman, kan er daarna een vernietigende recensie over schrijven. Het eerste vermogen sluit het tweede niet uit. Het zijn twee vermogens, en ze wonen zonder ruzie in hetzelfde hoofd.
Twee soorten meegaan
Een deel van de verwarring zit in één woord. “Suggestibel” betekent in de spreektaal: makkelijk te beïnvloeden, makkelijk te misleiden. In het hypnose-onderzoek betekent het iets anders: het vermogen om op een verbeeldingsopdracht te reageren, zodat een arm zwaar wordt of een geur verschijnt.
Er bestaat een vorm van suggestibiliteit die wel dicht bij goedgelovigheid ligt. De IJslandse forensisch psycholoog Gísli Gudjonsson meet hoe sterk mensen in een verhoor meegaan met misleidende vragen en onder druk hun antwoord bijstellen. Volgens Gudjonsson zelf heeft die verhoorsuggestibiliteit weinig gemeen met de klassieke, hypnotische variant en vraagt ze een eigen verklaringsmodel.5 Hetzelfde woord, twee verschillende vermogens. De mythe leeft van het verschil dat ze niet ziet.
Wat er gebeurt als overtuiging en suggestie elkaar wel ontmoeten, liet Richard Wiseman zien met nagespeelde seances. Deelnemers die in het paranormale geloofden, gingen vaker mee met de suggestie van een acteur dat de tafel had bewogen. Maar alleen als die suggestie paste bij wat ze al geloofden.6 Overtuiging werkt daar als filter op inhoud, niet als algemene vatbaarheid. Dat geldt ook voor de scepticus: zijn filter staat alleen anders ingesteld.
De scepticus als voorspelling
Hier draait het stuk om. Kritisch denken in het algemeen maakt iemand niet minder hypnotiseerbaar. Een kritische houding tegenover hypnose doet dat wel.
Nicholas Spanos, een van de scherpste sceptici in het veld, mat eind jaren tachtig de houding van proefpersonen tegenover hypnose en legde die naast hun scores. Het verband bleek scheef. Wie negatief over hypnose dacht, scoorde laag. Wie matig positief dacht, kon elke score halen.7 Een positieve houding is dus nodig, maar niet genoeg. Een negatieve houding lijkt wel genoeg om de deur dicht te houden.
Dat het om houding gaat en niet om een vaste eigenschap van de scepticus, liet een trainingsstudie uit dezelfde periode zien. Laag-hypnotiseerbare proefpersonen kregen een training die hun opvattingen over hypnose bijstelde en uitlegde hoe ze een suggestie konden opvatten. Na afloop scoorde meer dan de helft van hen in het hoge bereik. In de controlegroep was dat één persoon.8
De scepticus die vooraf zeker weet dat het bij hem niet werkt, krijgt dus gelijk. Niet omdat zijn verstand de suggestie tegenhoudt, maar omdat zijn verwachting meedoet. Hij levert het bewijs zelf. In een eerder stuk schreven we dat er geen kritische factor bestaat die een hypnotiseur omzeilt, wel een voortdurende toetsing.9 Hier zie je die toetsing aan het werk. De uitkomst ervan stuurt de respons.
Wie het niet toelaat, gaat niet
Elke hypnotiseur kent de zin. Wie het niet toelaat, gaat niet. Hij klopt voor de helft. Houding en verwachting tellen aantoonbaar mee, en wie een cliënt eerst zijn angst en misverstanden afneemt, krijgt een betere respons. Het voorgesprek is geen beleefdheid. Het is werk.
De zin gaat mis als hij wordt opgerekt tot een sluitend systeem: iedereen kan, dus wie niet gaat, wil niet. Dan is elke mislukking per definitie de schuld van de cliënt, net zoals in de omgekeerde versie elke mislukking de schuld van de hypnotiseur is.10 Een verklaring die niet fout kan zijn, verklaart niets. En ze negeert wat het onderzoek naar houding ook liet zien: een positieve houding is nodig, niet voldoende.
Wat overblijft
Want neem de houding weg, en er blijft iets over. Benjamin Parris en Zoltan Dienes vroegen proefpersonen de kleur te noemen waarin een woord gedrukt stond, een taak waarbij het woord zelf de aandacht wegtrekt. Daarna kregen ze de suggestie dat de woorden betekenisloze tekens waren, en de onderzoekers maten hoeveel minder het woord nog stoorde. Het woord hypnose viel niet. Toch schaalde het effect met hypnotiseerbaarheid, over het hele spectrum. Negatieve verwachtingen over hypnose kunnen dat moeilijk verklaren, want hypnose werd niet genoemd.11
Houding opent of sluit de deur. Aanleg bepaalt hoe ver iemand de kamer in loopt. Beide zijn waar, en geen van beide zegt iets over hoe slim of hoe goedgelovig iemand is.
Kritisch denken en hypnotiseerbaarheid zijn geen tegenpolen. De meest hypnotiseerbare persoon in de zaal kan ook de scherpste criticus zijn, zolang hij het oordeel niet vooraf al heeft geveld. Wie kritisch is, toetst. Wie sceptisch is, heeft al getoetst.
Bronnen
- Kihlstrom, J. F., Diaz, W. A., McClellan, G. E., e.a. (1980). Personality correlates of hypnotic susceptibility: Needs for achievement and autonomy, self-monitoring, and masculinity-femininity. American Journal of Clinical Hypnosis, 22(4), 225–230; en Kihlstrom, J. F. (2016). Hypnosis. In V. Zeigler-Hill & T. K. Shackelford (red.), Encyclopedia of Personality and Individual Differences. Springer.
- Geiger, E., Peter, B., Prade, T., & Piesbergen, C. (2014). Intelligence and hypnotizability: Is there a connection? International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis, 62(3).
- Shor, R. E., Orne, M. T., & O’Connell, D. N. (1964). Psychological correlates of plateau hypnotizability in a special volunteer sample (AFOSR 64-2499). Philadelphia: Institute of the Pennsylvania Hospital. DTIC AD0609713.
- Glisky, M. L., & Kihlstrom, J. F. (1993). Hypnotizability and facets of openness. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis, 41, 112–123. Zie ook Glisky, M. L., Tataryn, D. J., Tobias, B. A., Kihlstrom, J. F., & McConkey, K. M. (1991). Absorption, openness to experience, and hypnotizability. Journal of Personality and Social Psychology, 60(2), 263–272.
- Gudjonsson, G. H. (1987). Historical background to suggestibility: How interrogative suggestibility differs from other types of suggestibility. Personality and Individual Differences.
- Wiseman, R., Greening, E., & Smith, M. (2003). Belief in the paranormal and suggestion in the seance room. British Journal of Psychology, 94(3), 285–297.
- Spanos, N. P., Brett, P. J., Menary, E. P., & Cross, W. P. (1987). A measure of attitudes toward hypnosis: Relationships with absorption and hypnotic susceptibility. American Journal of Clinical Hypnosis, 30(2), 139–150.
- Attitudinal and imaginal ability predictors of social cognitive skill-training enhancements in hypnotic susceptibility (1987). Personality and Social Psychology Bulletin.
- Zie De kritische factor bestaat niet — toetsing wel.
- Zie Alle hypnose is zelfhypnose?
- Parris, B. A., & Dienes, Z. (2013). Hypnotic suggestibility predicts the magnitude of the imaginative word blindness suggestion effect in a non-hypnotic context. Consciousness and Cognition.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
