De suggestie van de spiegelneuron

Op een site als deze kun je verwachten dat we kort blijven bij de NLP-trucjes waarmee de gemiddelde spiegelneuronen-tekst werkt: yes-sets in de opening, gezagsframing, herhaling van het sleutelwoord, en hier en daar een aura die ongemerkt tussen de alinea’s mee glipt. Daar weten we de weg in. Interessanter is wat eronder zit — een wetenschappelijk verhaal dat in twee decennia is uitgegroeid van een interessante apenstudie tot een verklaring voor zowat alles wat mensen sociaal doen. En dat verhaal verdient een betere hypnose, eentje die dichter bij de werkelijkheid blijft.

Wat er echt gevonden is

In het begin van de jaren ’90 prikten Giacomo Rizzolatti en zijn collega’s in Parma elektroden in het brein van macaakapen. Ze keken naar area F5, een stukje premotorische cortex dat betrokken is bij het plannen van handbewegingen. Wat ze vonden was opmerkelijk: een aantal individuele neuronen vuurde niet alleen wanneer de aap zelf een pinda pakte, maar ook wanneer hij een onderzoeker een pinda zag pakken. Hetzelfde neuron, twee situaties.1

Dat is een mooie ontdekking. Doen en zien blijken in het brein niet zo strikt gescheiden als we wel eens dachten. Voor de neurofysiologie was het een belangrijk inzicht in hoe motorisch en perceptueel systeem op elkaar inhaken.

Daar had het kunnen blijven.

De sprong

Wat er gebeurde was dit: vanaf eind jaren ’90 begonnen onderzoekers en populariseerders het concept uit te bouwen. V.S. Ramachandran noemde spiegelneuronen “de neuronen die de beschaving vormden”.2 Marco Iacoboni schreef dat ze de neurale basis vormen van empathie.3 Anderen koppelden ze aan taal, aan autisme, aan cultuuroverdracht, en — uiteraard — aan elke vorm van sociaal leren. De spiegelneuron werd een soort universele verklaring.

Het probleem is dat er tussen “we vonden ze in macaakhersenen” en “ze verklaren de menselijke beschaving” een paar bewijsstappen ontbreken.

Bij mensen wordt het ineens lastig

In apen werden spiegelneuronen aangetoond door direct meten van individuele cellen — een elektrode in een specifiek neuron, registratie van activiteit. Bij mensen is dat één keer overtuigend gedaan: Roy Mukamel en collega’s publiceerden in 2010 in Current Biology metingen bij epilepsiepatiënten die om medische redenen al elektroden in hun brein hadden. Ze vonden inderdaad spiegel-achtige neuronen — maar óók op plekken waar volgens de theorie helemaal geen spiegelneuronen zouden moeten zitten. Eén studie, één vondst, en de bevindingen pasten niet schoon in het verhaal.4

Vrijwel al het andere “bewijs” voor spiegelneuronen bij mensen komt uit fMRI-onderzoek. fMRI meet bloedstroom in hersengebieden van een paar millimeter groot, met miljoenen neuronen erin. Als zo’n gebied oplicht bij zowel doen als zien, hoeft dat helemaal geen spiegelneuronen te betekenen — het kan ook gewoon zijn dat aangrenzende, gescheiden populaties verschillende dingen doen. Alessio Lingnau en collega’s lieten in 2009 met een slim opgezet fMRI-experiment zien dat de menselijke “spiegelgebieden” zich niet gedragen zoals echte spiegelneuronen zouden moeten.5

De empathie-claim houdt geen stand

Empathie verklaren als “spiegelneuronen vuren mee” klinkt overzichtelijk, maar laat alles weg wat we al wisten over empathie. Mensen voelen mee op heel verschillende manieren: cognitief (begrijpen wat een ander voelt), affectief (zelf iets voelen), en motorisch (meegrimassen). Die zijn deels onafhankelijk en betrekken uitgebreide netwerken — frontaal, limbisch, anterior cingulate, insula. De spiegelneuron is daar hooguit een schakel in, geen oorzaak.

Gregory Hickok, hoogleraar cognitieve wetenschap aan UC Irvine, schreef hier in 2014 een heel boek over: The Myth of Mirror Neurons.6 Zijn punt is niet dat spiegelneuronen niet bestaan, maar dat het verhaal eromheen — handelingen begrijpen, empathie, taal — niet door het onderzoek wordt gedragen. Zijn paper uit 2009, “Eight problems for the mirror neuron theory of action understanding”, is een prima ingang als je het wilt nalezen.7

De “kapotte spiegel” en autisme

Het idee dat autisme een spiegelneurontekort zou zijn, komt van Ramachandran en is enthousiast door de media omarmd. In meta-analyses houdt het echter geen stand. Antonia Hamilton publiceerde in 2013 een review in Developmental Cognitive Neuroscience waarin ze concludeerde dat er geen consistent bewijs is voor een spiegelsysteem-tekort bij autisme.8 Bovendien: autistische kinderen vertonen aanstekelijk geeuwen wél, mits ze naar de ogen van de geeuwer kijken.9 Voor een theorie die zegt dat de spiegel kapot is, is dat lastig uit te leggen.

Misschien zijn ze gewoon geleerd

Cecilia Heyes, psycholoog in Oxford, heeft een nuchterder verhaal: spiegelneuronen zijn waarschijnlijk niet aangeboren maar het gevolg van associatief leren.10 Elke keer dat je een handeling doet én jezelf die handeling ziet doen — je hand die naar je gezicht beweegt, je vinger die een toets indrukt — koppel je waarneming aan actie. Na duizenden van die koppelingen heb je neuronen die op beide reageren. Niet omdat dat “voor sociaal begrip is”, maar omdat het brein nu eenmaal associatief werkt.

Minder romantisch dan “de neuronen die ons mens maken”, maar het past beter bij wat we weten over hoe hersenen leren.

Een eerlijker hypnose

Wat blijft er over? Iets moois, eigenlijk. Er bestaan in dier en mens neuronen die niet kiezen tussen doen en zien — die de grens daartussen niet kennen. Dat is een echte bevinding en hij raakt aan iets diepers: dat de scheiding tussen “ik handel” en “ik neem waar” minder hard is dan onze ervaring suggereert. Voor wie met aandacht en lichaamsbewustzijn werkt — in hypnotherapie, in onderwijs, in elke vorm van begeleiding — is dat een interessant aanknopingspunt.

Maar empathie verklaart het niet. Beschaving verklaart het niet. Autisme verklaart het niet. Taal verklaart het niet. Het verklaart dat er bij een aap neuronen zitten die in twee verschillende situaties vuren. De rest is suggestie.

Voetnoten


Ontdek meer van

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Scroll naar boven