Barrett en het brein dat emoties maakt

In de twee vorige artikelen ging het over de vraag waar angst zich in de hersenen afspeelt. Bij de amygdala? In een breder netwerk? In Panksepp’s PANIC- of FEAR-systeem? Onder al die vragen ligt een aanname die zelden uitgesproken wordt: dat emoties dingen zijn. Aparte categorieën, met eigen circuits en eigen handtekeningen in het brein. De woede-knop, het angstcentrum, het verdrietsysteem.

Lisa Feldman Barrett, hoogleraar psychologie aan Northeastern University en directeur van het Interdisciplinary Affective Science Laboratory, denkt dat die aanname fout is. Niet een beetje fout, maar fundamenteel. En haar argument ervoor sluit naadloos aan op iets wat ik in een eerder stuk al besprak: het predictive processing model van het brein.

De paradox waar Barrett mee begon

Barrett’s beginpunt is wat zij de emotion paradox noemt1. Mensen ervaren emoties als zeer specifiek en herkenbaar — verdriet voelt anders dan woede, angst anders dan schaamte. Vraag iemand zijn emotie te benoemen en hij doet dat zonder aarzelen. Maar zoek in honderden neuroimagingstudies en duizenden fysiologische metingen naar de hersensignatuur of de hartritmecurve die hoort bij “woede” of “angst” — en je vindt hem niet. Niet consistent. Niet over personen heen. Niet over situaties heen.

In 2012 publiceerde Kristen Lindquist met Barrett een meta-analyse van bijna tweehonderd neuroimagingstudies. De conclusie: er is geen één-op-één relatie tussen specifieke hersengebieden en specifieke emoties. De amygdala doet veel meer dan angst, de insula veel meer dan walging, de orbitofrontale cortex veel meer dan beloning2. Wat wel consistent terugkomt zijn netwerken die meedoen aan van alles — aandacht, lichaamsregulatie, conceptueel denken, geheugen. Emoties, schrijft Barrett, lijken meer op recepten dan op ingrediënten: ze worden samengesteld uit basismateriaal dat zelf niet emotioneel is.

Dat is een controversiële conclusie. Critici wijzen er fijntjes op dat het ontbreken van bewijs niet hetzelfde is als bewijs van ontbreken; misschien zijn onze meetmethoden gewoon te grof3. En Barrett haar manier om Panksepp’s decennia onderzoek terzijde te schuiven — door het simpelweg niet te bespreken in haar boek How Emotions Are Made — is door een aantal collega’s als intellectueel oneerlijk bestempeld4. Niettemin: haar theorie verdient een serieuze behandeling, al was het maar omdat ze elementen samenbrengt die anders los blijven.

Het brein als voorspellingsmachine

Barrett’s centrale claim is dat het brein geen reactief orgaan is. Het zit niet rustig te wachten op prikkels uit de wereld om daar vervolgens op te reageren. Het brein voorspelt. Voortdurend. Op basis van eerdere ervaringen genereert het een verwachting van wat er zo komt — wat je gaat zien, horen, voelen, denken — en de zintuiglijke input dient enkel om die voorspelling te corrigeren waar ze afwijkt5.

Hetzelfde geldt voor het lichaam. Het brein evolueerde, schrijft Barrett, niet om rationeel te denken of om de wereld accuraat waar te nemen, maar om een lichaam te regelen zodat het zich efficiënt door de wereld kan bewegen. Die regulatie noemt ze allostase: het lichaam in balans houden door behoeften te anticiperen en op tijd te voorzien, niet door achteraf te reageren. Het brein houdt een soort lichaams-budget bij — glucose, water, zout, zuurstof — en doet voorspellingen over wat ervan nodig zal zijn. Interoceptie, het waarnemen van lichaamssignalen, is in haar model geen passieve registratie maar de interpretatie van voorspelfouten6.

En hier komt het verband met emoties. Wat we “boos” of “angstig” noemen, is volgens Barrett de uitkomst van een constructieproces waarin het brein de huidige lichaamstoestand (verhoogde hartslag, gespannen kaken, oppervlakkige ademhaling) interpreteert in het licht van wat het verwacht in deze situatie. Dezelfde interoceptieve toestand kan in de ene context “angst” worden, in de andere “opwinding”, in een derde “honger met irritatie”. De toestand zelf is valent en opwekkend — onaangenaam-actief, in dit geval — maar wát het is, hangt af van de categorieën die het brein erbij oproept.

Dit is geen losse hypothese meer. In een paper uit 2017 koppelden Barrett en collega’s de theorie expliciet aan het active inference framework van Karl Friston, en presenteerden ze een uitgewerkt computationeel model: Embodied Predictive Interoception Coding (EPIC)7. Voor wie het Friston/Clark-stuk op deze site las: dit is dezelfde voorspellingsarchitectuur, nu toegepast op gevoel.

Waarom dit voor het amygdala-debat uitmaakt

Als Barrett gelijk heeft, dan is de discussie tussen LeDoux en Panksepp over waar angst zit deels mistgordijn. Niet onbelangrijk — er zijn natuurlijk circuits, ze doen mee, ze hebben hun rollen — maar minder fundamenteel dan ze lijkt. Want “angst” is dan niet één ding waar je één plek voor zoekt. Het is een categorie die het brein elk moment opnieuw samenstelt uit lichaamssignalen, contextuele verwachtingen en taalkundige concepten. De vraag “waar in het brein zit angst” is, in haar model, ongeveer zo zinvol als “waar in de keuken zit een maaltijd”. Overal en nergens. Het hangt af van wat je kookt en wat je in de kasten hebt.

Dit is geen mystiek standpunt. Het is materialistisch en mechanistisch — Barrett’s brein is helemaal van vlees en circuits — maar het verlegt het analyseniveau. Niet welk gebied vuurt, maar welk concept wordt geconstrueerd. En dat concept is gebonden aan cultuur, taal en persoonlijke geschiedenis. In sommige culturen bestaat geen woord voor wat wij “depressie” noemen. In andere bestaan emotiecategorieën die wij niet hebben. Barrett ziet dat als bewijs: als emoties biologisch universeel waren, zouden de woorden ervoor één-op-één over talen heen vertaalbaar zijn. Dat zijn ze, op een paar grofkorrelige uitzonderingen na, niet.

De praktijk: van etiketteren naar herinterpreteren

Voor wie met angst werkt in een therapeutische context, opent Barrett’s model een specifieke deur. Als een emotie geconstrueerd is uit voorspelling en interpretatie, dan is herinterpretatie geen oppervlakkige cognitieve truc. Het is een ingreep op het constructieproces zelf.

Een voorbeeld: iemand voor een examen met zwetende handen en bonkend hart. De klassieke instructie was “probeer rustig te worden”. Barrett zou voorstellen om de lichaamstoestand te herlabelen — niet als angst maar als gespannen verwachting, als adrenalinegeladen klaarstaan. Niet om de fysiologie weg te toveren, maar omdat de fysiologie zelf relatief neutraal is; het etiket dat het brein erop plakt bepaalt mede hoe het verder voelt en wat eruit volgt. Onderzoek naar deze anxiety reappraisal benadering laat in experimentele settings consistente effecten zien op prestatie en zelfgerapporteerd ongemak8.

Voor hypnose ligt hier iets interessants. Hypnotische suggesties werken zelden door zintuiglijke input letterlijk te veranderen — een blauw vierkant wordt geen rood vierkant. Wat ze wél kunnen doen, in Barrett’s lezing, is het voorspellingsmodel verschuiven. De cliënt anticipeert anders, interpreteert lichaamssignalen anders, construeert een andere emotionele categorie uit hetzelfde ruwe materiaal. Dat is misschien preciezer geformuleerd dan “het onbewuste herprogrammeren”, en het past beter bij wat er meetbaar lijkt te gebeuren.

Wat overblijft

Het is verleidelijk om Barrett’s model te omarmen omdat het zoveel verklaart en zo elegant aansluit bij moderne neurowetenschap. Het is ook verstandig om daar voorzichtig in te zijn. Niet alles wat elegant is, is waar. Panksepp’s onderzoek met diepe hersenstimulatie suggereert dat sommige emotionele systemen wel degelijk een eigen architectuur hebben, en Barrett’s manier om dat materiaal te negeren is wetenschappelijk niet houdbaar4. Ook is haar karakterisering van “de klassieke visie” — discrete emoties, ieder met eigen circuit, één-op-één — een vereenvoudiging waar weinig hedendaagse onderzoekers zich nog in zouden herkennen3.

Maar het constructionistische kader voegt iets toe dat in LeDoux en Panksepp ontbrak: een verklaring voor de enorme variatie in hoe mensen emoties ervaren, benoemen en uiten. Een verklaring die past in een groter geheel — predictive processing, allostase, interoceptie — en die in de praktijk handelingsperspectieven oplevert die concreter zijn dan “praat met het onbewuste”.

De drie kampen hoeven elkaar ook niet volledig uit te sluiten. LeDoux’s defensieve circuits, Panksepp’s affectieve systemen en Barrett’s constructies opereren mogelijk op verschillende niveaus van dezelfde architectuur. Het brein detecteert dreiging (LeDoux), genereert valente arousal (Panksepp), en construeert daar een ervaring uit (Barrett). Een vredelievend synthese-verhaal, zou je kunnen zeggen. Of een ontwijking — afhankelijk van wie je het vraagt.

Wat overblijft, ook na drie artikelen, is een gerede dosis nederigheid over hoe weinig we eigenlijk weten van wat zich precies afspeelt als iemand bang wordt. En dat is geen schande. Dat is de stand van de wetenschap.


Voetnoten

  1. Barrett, L. F. (2006). Solving the emotion paradox: Categorization and the experience of emotion. Personality and Social Psychology Review, 10(1), 20–46.
  2. Lindquist, K. A., Wager, T. D., Kober, H., Bliss-Moreau, E., & Barrett, L. F. (2012). The brain basis of emotion: A meta-analytic review. Behavioral and Brain Sciences, 35(3), 121–143.
  3. Zie bijvoorbeeld: Adolphs, R. (2017). How should neuroscience study emotions? By distinguishing emotion states, concepts, and experiences. Social Cognitive and Affective Neuroscience, 12(1), 24–31. 2
  4. Een uitgewerkte kritiek vanuit Pankseppiaans perspectief: Davis, K. L., & Montag, C. (2019). Selected principles of Pankseppian affective neuroscience. Frontiers in Neuroscience, 12, 1025. 2
  5. Barrett, L. F. (2017). The theory of constructed emotion: An active inference account of interoception and categorization. Social Cognitive and Affective Neuroscience, 12(1), 1–23.
  6. Barrett, L. F., & Simmons, W. K. (2015). Interoceptive predictions in the brain. Nature Reviews Neuroscience, 16(7), 419–429.
  7. Barrett, L. F., Quigley, K. S., & Hamilton, P. (2016). An active inference theory of allostasis and interoception in depression. Philosophical Transactions of the Royal Society B, 371(1708), 20160011.
  8. Brooks, A. W. (2014). Get excited: Reappraising pre-performance anxiety as excitement. Journal of Experimental Psychology: General, 143(3), 1144–1158.

Ontdek meer van

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie

Scroll naar boven