Een hooggevoelige proefpersoon zit voor een scherm. Op het scherm verschijnen gekleurde woorden: het woord “rood” in blauwe inkt, het woord “groen” in gele inkt. De opdracht is eenvoudig — benoem de inktkleur, niet het woord. Normaal kost dat moeite. Het lezen van een woord gaat zo snel en automatisch dat het de kleurbenoeming in de weg zit, een effect dat sinds 1935 in duizenden studies is bevestigd. Maar onder een post-hypnotische suggestie — de woorden zijn betekenisloze symbolen in een onbekende taal — verdwijnt die vertraging. Niet bij iedereen. Alleen bij hooggevoeligen. Bij laaggevoeligen verandert er met dezelfde suggestie niets.1
Een sceptische lezer kan veel verklaringen oppakken. Misschien deed de proefpersoon haar best om de onderzoeker tevreden te stellen. Misschien spande ze zich extra in. Misschien speelde ze de rol van iemand die de woorden niet leest. Dat zijn legitieme verdenkingen — ze waren decennialang het centrale antwoord van de sociaal-cognitieve school op het hypnose-onderzoek. De vraag is alleen of die verdenking standhoudt onder de juiste toets. Dat onderzoek is gedaan, langs verschillende meetlijnen, en de uitkomst is opmerkelijk consistent.
De oude verdenking
Halverwege de twintigste eeuw stelde Martin Orne deze vraag in haar meest scherpe vorm.2 Hoe weet je dat een gehypnotiseerd persoon niet gewoon meespeelt? Zijn antwoord was een experiment. Vergelijk een hooggevoelige, daadwerkelijk gehypnotiseerde persoon — een “real” — met iemand met lage hypnotiseerbaarheid die de instructie krijgt te simuleren — een “simulator”. De simulator doet zijn uiterste best om de hypnotiseur te misleiden. De hypnotiseur weet niet wie wie is. Als de twee groepen zich anders gedragen, dan is dat verschil iets wat een gemotiveerde rolspeler niet kan produceren. Daar zit dan het echte hypnotische fenomeen.
Orne ontdekte zelf al dat het verschil zelden in het uiterlijke gedrag zat. Simulators bleken vaak verbluffend overtuigend. Wat hen verraadde waren subtielere markers — fenomenologische details, fysiologische metingen, prestaties op taken die niet bewust te sturen zijn. Het real-simulator-paradigma werd niet de definitieve toets die Orne had gehoopt. Het werd een gereedschap dat in handen van latere onderzoekers veel scherper werd.
De leugendetector zwijgt
In 1994 publiceerden Kinnunen, Zamansky en Block een experiment onder de titel Is the hypnotized subject lying?3 Ze gebruikten huidgeleidingsrespons — de standaard fysiologische maat in leugendetectie — om te toetsen of gehypnotiseerde proefpersonen de waarheid spraken over hun ervaring. Eerst valideerden ze dat huidgeleiding bij zowel gehypnotiseerde als niet-gehypnotiseerde personen leugens onderscheidt. Pas toen vroegen ze proefpersonen wat ze werkelijk hadden ervaren tijdens hypnotische suggesties.
89% van de gehypnotiseerden voldeed aan het waarheidscriterium. Bij de simulators was dat 35%. Een huidgeleidingsrespons is een autonoom signaal dat de gemiddelde mens niet kan onderdrukken. Wie liegt, raakt opgewonden, en die opwinding is meetbaar. Een proefpersoon die rapporteert dat hij geen aanraking voelde op zijn arm — terwijl zijn arm wel werd aangeraakt — verraadt zichzelf met een snelle uitslag van de meter. De gehypnotiseerden, voor het overgrote deel, deden dat niet. De simulators wel.
Wat met de werkelijkheid niet meekomt
Bryant en McConkey hebben tussen 1989 en 2005 een reeks experimenten gedaan met hypnotische blindheid en visuele negatieve hallucinaties. Eén ontwerp uit deze reeks is voor het huidige verhaal bijzonder verhelderend.4 Een proefpersoon krijgt de suggestie een bepaalde figuur te hallucineren. Tijdens die hallucinatie wordt subtiel een echt beeld op het scherm geprojecteerd dat sterk op de gesuggereerde figuur lijkt. Vervolgens vraagt de onderzoeker hoe reëel de proefpersoon de hallucinatie ervaart. De cruciale meting: verandert de reality-rating zodra de werkelijke projectie wordt aangezet?
Reals deden dat niet. Hun rating bleef gelijk of de projectie nu aan- of uit stond. Simulators wel — die schakelden zodra ze de projectie opmerkten. De interpretatie ligt voor de hand. Bij reals bepaalt de gesuggereerde ervaring wat als realiteit geldt, en informatie die daarmee in tegenspraak is, dringt niet door tot het oordeel. Bij simulators blijft de feitelijke perceptie de baseline; ze passen alleen hun rapportage aan.
Tataryn en Kihlstrom (2017) lieten iets vergelijkbaars zien voor tactiele anesthesie met signal-detection methodes.5 Reals beschreven daadwerkelijke afname in voelen, en deden dat zonder strategie. Simulators beschreven daarentegen expliciete tactieken — minder concentreren, de definitie van “aanraking” verschuiven. De gedragsuitkomst kon vergelijkbaar zijn, het achterliggende mechanisme niet.
Het automatisme dat zwijgt
Dan het Stroop-experiment, waar dit verhaal mee begon. Wat hier wordt onderzocht is hardnekkiger dan een zelfrapportage. Het Stroop-effect ontstaat omdat woordlezen automatisch verloopt — sneller, robuuster en moeilijker uit te schakelen dan kleurbenoeming. Eerdere pogingen om deelnemers te instrueren de woorden te negeren leverden hooguit marginale winst op.6 Een proefpersoon kan zichzelf niet bewust voorhouden “ik lees niet” en daarmee het effect uitschakelen.
Raz, Shapiro, Fan en Posner publiceerden in 2002 een studie waarin een post-hypnotische suggestie werd gegeven dat de woorden in een onbekende taal stonden geschreven en daarom niet konden worden gelezen. Bij hooggevoeligen verdween het interferentie-effect grotendeels of volledig. Bij laaggevoeligen, die dezelfde suggestie kregen, veranderde niets. De studie is gerepliceerd in een onafhankelijk lab door Raz, Kirsch, Pollard en Nitkin-Kaner in 2006, en aangevuld met EEG-onderzoek dat liet zien dat het effect zich al manifesteert in vroege visuele componenten van de hersenrespons.7 Het ingrijppunt zit dus niet op het niveau van bewuste herkenning. Het zit eerder.
McGeown en collega’s (2012) breidden dit beeld uit met functioneel hersenonderzoek.8 Bij hooggevoeligen verandert een visuele suggestie ook de activiteit in visuele cortices. Een suggestie om een grijsbeeld in kleur te zien correleert met activiteit in kleurspecifieke gebieden. Bij laaggevoeligen, met dezelfde suggestie, treedt dit patroon niet op. Het verschil zit niet in de instructie of in de motivatie. Het zit in wie de instructie kan omzetten in een veranderde perceptie.
De nieuwe scepticus
Met deze vier lijnen — fysiologie bij Kinnunen, reality monitoring bij Bryant, automatisme bij Raz, hersenactiviteit bij McGeown — is de oudste vorm van scepsis vakkundig ontmanteld. Een hooggevoelige onder een negatieve hallucinatie is geen rolspeler. Maar daarmee is de discussie niet voorbij. Ze is verhuisd.
Zoltan Dienes en zijn collega’s aan de Universiteit van Sussex hebben de afgelopen vijftien jaar een nieuwe positie uitgewerkt onder de namen cold control theory en phenomenological control.9 Hun stelling is genuanceerd. Hooggevoeligen zijn geen liegers — Kinnunen wordt expliciet als ondersteunend bewijs aangehaald. Maar het mechanisme is volgens hen ook geen aparte “trance”-staat van bewustzijn. Wat hooggevoeligen bezitten is een algemene capaciteit om subjectieve ervaring te wijzigen op een manier die past bij wat ze willen of wat van hen verwacht wordt. Het proces is metacognitief: een intentionele cognitieve of motorische actie vindt plaats zonder dat de persoon zich bewust is van de specifieke intentie achter die actie.
Dit is geen sociaal rolspel meer. Het is een echte capaciteit die werkelijke gedragsveranderingen en hersenveranderingen produceert. Tegelijk is het ook geen mystiek vermogen. Het is variërende fenomenologische controle, ongelijk verdeeld over de bevolking en te meten met vrij gewone vragenlijsten. Volgens Dienes en collega’s werkt deze capaciteit ook buiten hypnose — in rubberhand-illusies, in sommige synesthesie-vormen, vermoedelijk in placeborespons. De moderne sceptische positie ontkent niet dat een negatieve hallucinatie iets doet. Ze claimt dat wat er gebeurt verklaarbaar is uit een algemener menselijk vermogen.
Slot
De vraag die Orne stelde — speelt deze persoon mee? — is grondig beantwoord, en het antwoord is nee. De gehypnotiseerde liegt niet bewust, de simulator kan het patroon niet evenaren, de visuele cortex doet feitelijk anders zijn werk. De rolverklaring is niet enkel afgewezen, ze is methodologisch ontmanteld.
De vraag die overblijft is misschien interessanter dan de oude. Niet “is het echt?”, maar “wat is dit eigenlijk?”. Een mens die de letters niet leest. Een mens die de stoel niet ziet. Een mens wiens huidgeleiding ontspannen blijft bij de bewering dat er geen aanraking was. Dat is geen vraag aan een toneelspeler. Dat is een vraag aan de geest zelf.
Voetnoten
- Raz, A., Shapiro, T., Fan, J., & Posner, M. I. (2002). Hypnotic suggestion and the modulation of Stroop interference. Archives of General Psychiatry, 59(12), 1155–1161. ↩
- Orne, M. T. (1959). The nature of hypnosis: Artifact and essence. Journal of Abnormal and Social Psychology, 58(3), 277–299. Zie ook Lynn, S. J., & Kirsch, I. (2006). Essentials of clinical hypnosis: An evidence-based approach. American Psychological Association. ↩
- Kinnunen, T., Zamansky, H. S., & Block, M. L. (1994). Is the hypnotized subject lying? Journal of Abnormal Psychology, 103(2), 184–191. ↩
- Bryant, R. A., & Mallard, D. (2005). Reality monitoring in hypnosis: A real-simulating analysis. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis, 53(1), 13–25. Zie ook Bryant, R. A., & McConkey, K. M. (1989). Hypnotic blindness: A behavioral and experiential analysis. Journal of Abnormal Psychology, 98(1), 71–77. ↩
- Tataryn, D. J., & Kihlstrom, J. F. (2017). Hypnotic tactile anesthesia: Psychophysical and signal-detection analyses. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis, 65(2), 133–161. ↩
- Sheehan, P. W., Donovan, P., & MacLeod, C. M. (1988). Strategy manipulation and the Stroop effect in hypnosis. Journal of Abnormal Psychology, 97(4), 455–460. ↩
- Raz, A., Kirsch, I., Pollard, J., & Nitkin-Kaner, Y. (2006). Suggestion reduces the Stroop effect. Psychological Science, 17(2), 91–95. Zie ook Raz, A., Fan, J., & Posner, M. I. (2005). Hypnotic suggestion reduces conflict in the human brain. Proceedings of the National Academy of Sciences, 102(28), 9978–9983. ↩
- McGeown, W. J., Venneri, A., Kirsch, I., Nocetti, L., Roberts, K., Foan, L., & Mazzoni, G. (2012). Suggested visual hallucination without hypnosis enhances activity in visual areas of the brain. Consciousness and Cognition, 21(1), 100–116. ↩
- Dienes, Z., & Perner, J. (2007). Executive control without conscious awareness: The cold control theory of hypnosis. In G. Jamieson (Red.), Hypnosis and conscious states: The cognitive neuroscience perspective (pp. 293–314). Oxford University Press. Zie ook Dienes, Z., & Lush, P. (2023). The role of phenomenological control in experience. Current Directions in Psychological Science, 32(2), 145–151. ↩
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
