Halverwege een gesprek over emoties haalt Lisa Feldman Barrett een grapje van haar man aan. Als ze klaagt — en dat doet ze graag, geeft ze toe — vraagt hij weleens welke dwergen er die dag op bezoek zijn. Slaperig, humeurig, hongerig, kribbig. Het is liefdevol bedoeld, maar Barrett keert het om. Er komen geen dwergen langs. Er is geen gezelschap dat aanbelt en weer vertrekt. Het is allemaal zij.1
Een paar zinnen later laat ze zien wat er dan wél gebeurt. Ze kan op dat moment het gezicht van haar gesprekspartner op de voorgrond zetten, of het roze licht achter hem, of het zachte geruis van de airco. Voorgrond en achtergrond, niet als iets wat ze heeft maar als iets wat ze doet. Ze wijdt er niet over uit; ze heeft het over emotieregulatie en het beeld is voor haar een tussenstap. Het is precies die tussenstap die blijft hangen.
Want hij raakt aan iets wat in het spreken over de geest bijna onuitroeibaar is: het onderbewuste.
De tweede iemand
“Het onderbewuste” is een zelfstandig naamwoord. Dat lijkt onschuldig, maar een naamwoord wijst een ding aan, en een ding kan iets doen. Zo sluipt er een tweede iemand de geest binnen — een instantie naast het bewuste ik, met eigen kennis, eigen voorkeuren, eigen agenda. We zeggen dat het onderbewuste iets “weet”, iets “wil”, iets “stuurt”. Daarmee valt de mens in tweeën uiteen: een ik dat denkt te beslissen, en een verborgen ander die het eigenlijk doet.
Voor de hypnotherapie is dat geen onschuldige manier van spreken. Wie de cliënt vertelt dat zijn onderbewuste de touwtjes in handen heeft, levert hem een beeld van zichzelf als bestuurd. Als niet-heel.
De kelder en de assistent
Die tweede iemand komt in twee smaken, en ze lijken elkaars tegenpolen. De eerste is Freudiaans: een kelder onder het bewuste leven, gevuld met verdrongen wensen en oude pijn, gevaarlijk genoeg om weggesloten te blijven en belangrijk genoeg om op te graven. De tweede is vriendelijker en moderner. In Het slimme onbewuste schetste de psycholoog Ap Dijksterhuis een onbewuste dat geen kelder is maar een begaafde assistent: sneller, ruimer, beter in complexe afwegingen dan het trage bewuste verstand.2 Laat je beslissing maar even rusten, ga iets anders doen, en de assistent klaart de klus.
Tegengesteld in toon, identiek in bouw. Of die tweede iemand nu een gevaar in de kelder is of een wijze hulp op de achtergrond — het blijft een tweede iemand. En dus blijft de mens gefragmenteerd, ook in de gunstige versie.
De assistent die wegblijft
Bij de vriendelijke versie speelt bovendien een empirisch probleem. Het kerneffect waarop ze rust — het deliberation-without-attention-effect, het idee dat afleiding tot betere complexe beslissingen leidt dan nadenken — heeft de toets der herhaling slecht doorstaan. Calvillo en Penaloza vonden het in 2009 in een reeks experimenten niet terug.3 De beslissende onderbouwing kwam in 2015, toen Nieuwenstein en collega’s een meta-analyse combineerden met een grootschalige replicatie onder bijna vierhonderd deelnemers. Ze vonden geen betrouwbare steun voor het idee dat even niet nadenken tot betere keuzes leidt.4
Eerlijk is eerlijk: de theorie heeft verdedigers gehouden, onder wie John Bargh, die de kritiek op zijn beurt bekritiseerde.5 Het laatste woord is in de wetenschap zelden gesproken. Maar het sterke effect, de claim die het slimme onbewuste zijn glans gaf, heeft de replicatie niet overleefd.
En zelfs als het dat wél had gedaan, bleef het bezwaar staan. Een slimme assistent is nog altijd een assistent — een aparte instantie die voor je denkt. Het probleem met Dijksterhuis’ beeld is niet alleen dat het effect wankelt. Het is dat ook de geslaagde versie de mens in stukken laat.
Werkwoorden in plaats van een ding
De uitweg is grammaticaal zo simpel dat hij bijna ontgaat. Spreek niet over het onbewuste, maar over onbewuste processen. Niet een ding, maar dingen die gebeuren. Niet een iemand, maar verwerking — verdeeld over talloze systemen, grotendeels parallel, zonder centrale regisseur die het overzicht houdt.
De cognitiewetenschap maakt hier een onderscheid dat de spreektaal mist. Het psychodynamische onbewuste van Freud is een opslagplaats: inhoud die ergens bewaard wordt en in principe opgehaald kan worden. Het cognitieve onbewuste, zoals Timothy Wilson het beschreef, is iets heel anders.6 Het is snel, efficiënt en verfijnd, maar het is geen kluis met geheimen. Het is in principe ontoegankelijk — niet omdat het verborgen wordt gehouden, maar omdat het nooit voor introspectie bedoeld was. Je kunt er niet “naartoe”. Er is geen kamer.
Het slimme onbewuste was, zo bezien, een poging om dat cognitieve onbewuste de competentie van een agent te geven. De rehabilitatie van een idee dat juist zijn aantrekkingskracht aan die agent ontleende.
Voorgrond zonder regisseur
Wat gebeurt er dan wél, als er niemand aan de knoppen zit? Hier komen we terug bij Barretts tussenstap.
De globale-werkruimtetheorie, uitgewerkt door onder anderen Stanislas Dehaene, beschrijft bewustzijn niet als een plek maar als een gebeurtenis. Het meeste hersenwerk blijft lokaal en onbewust. Af en toe wordt een signaal versterkt en breed beschikbaar gemaakt — “ignition”, in Dehaenes woord — en dat moment van brede beschikbaarheid is wat we als bewust ervaren.7 De voorgrond is geen ruimte waarin iets ligt, maar een toestand die iets even bereikt.
Het predictief coderen, het kader waarin Barrett zelf werkt, vult in hoe die selectie verloopt. Het brein is voortdurend bezig de wereld te voorspellen, en verreweg het meeste daarvan speelt zich op de achtergrond af, in aanhoudende voorspellende activiteit waarvan we niets merken.8 Wat naar de voorgrond schuift, is wat het brein een hoog precisiegewicht toekent — een hoge inschatting van betrouwbaarheid of belang. Voorgrond en achtergrond zijn dan geen plekken en geen lagen, maar de uitkomst van een weging. Precies wat Barrett deed toen ze het roze licht liet wegvallen en het gezicht liet oplichten.
Geen van deze modellen is af, en ze zijn het onderling niet over alles eens. Wat ze delen is wat ze níét nodig hebben: een regisseur. Een tweede iemand die kiest wat de voorgrond haalt. De weging gebeurt, verdeeld en zonder centrum, en het resultaat is een ervaring die heel aanvoelt.
Een hele cliënt
Hier raakt het de praktijk. Wie met “het onderbewuste” werkt, werkt impliciet met een gefragmenteerde cliënt — iemand die onderhandelt met een verborgen ander, of die zich overgeeft aan een wijzere instantie binnenin. Beide beelden klinken behulpzaam en zijn het soms ook. Maar ze rusten op een persoon die in tweeën is gesneden.
De processentaal vraagt iets anders. Geen toegang zoeken tot een afgesloten kamer, geen assistent inschakelen, maar de aandacht verleggen — bepalen wat op de voorgrond komt en wat naar de achtergrond zakt. Dat is geen onderhandeling met een ander. Het is iets wat de hele persoon doet. Het sluit aan bij een breder beeld waarin het zelf zélf geen ding is maar een model dat het brein voortdurend opmaakt. [interne link: eerder artikel over het zelfmodel en hypnose]
Barretts man vroeg welke dwergen er op bezoek waren. Het aardige aan haar antwoord is dat het niet alleen over emoties gaat. Er is geen gezelschap, geen kelder, geen assistent. Het is allemaal jij. En dat is, voor wie met mensen aan verandering werkt, geen verschraling maar een opluchting.
Bronnen
- Lisa Feldman Barrett, te gast in Modern Wisdom #987, “The New Science of Emotions, Anxiety & Brain Health” (30 augustus 2025), ca. 27 min.
- Ap Dijksterhuis, Het slimme onbewuste. Denken met gevoel (2007); Dijksterhuis & Nordgren, “A theory of unconscious thought”, Perspectives on Psychological Science 1 (2006), 95–109; Dijksterhuis e.a., “On making the right choice: the deliberation-without-attention effect”, Science 311 (2006), 1005–1007.
- Dustin P. Calvillo & Alan Penaloza, “Are complex decisions better left to the unconscious? Further failed replications of the deliberation-without-attention effect”, Judgment and Decision Making 4 (2009), 509–517.
- M. R. Nieuwenstein, T. Wierenga, R. D. Morey, J. M. Wicherts, T. N. Blom, E.-J. Wagenmakers & H. van Rijn, “On making the right choice: a meta-analysis and large-scale replication attempt of the unconscious thought advantage”, Judgment and Decision Making 10(1) (2015), 1–17.
- John A. Bargh, “Unconscious Thought Theory and its discontents: a critique of the critiques”, Social Cognition 29 (2011), 629–647.
- Timothy D. Wilson, Strangers to Ourselves: Discovering the Adaptive Unconscious (2002).
- Stanislas Dehaene, Consciousness and the Brain (2014); vgl. Bernard Baars, A Cognitive Theory of Consciousness (1988).
- Voor het predictief coderen en de constructie van ervaring: Lisa Feldman Barrett, How Emotions Are Made (2017) en Seven and a Half Lessons About the Brain (2020); over precisiegewichten in voorspellende verwerking o.a. het werk van Karl Friston.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
