In een laboratorium in Stanford, ergens in de jaren zeventig, vraagt Ernest Hilgard aan een gehypnotiseerde proefpersoon om geen pijn te voelen. Hij dompelt diens hand in ijswater. De persoon meldt niets — geen pijn, geen ongemak. Daarna richt Hilgard zich tot een “ander deel” van diezelfde proefpersoon, een verborgen waarnemer, en vraagt of dát deel iets registreert. Een vinger gaat omhoog. Ja, de pijn is er. Alleen ergens anders.1
Voor Hilgard was dit het bewijs dat hypnose iets ongewoons doet met het bewustzijn. Voor anderen was het iets heel anders.
De trance als oorzaak
De staattheorie vertrekt vanuit een eenvoudig idee. Onder hypnose verkeert iemand in een veranderde bewustzijnstoestand — een trance — die kwalitatief verschilt van het normale waken. Die toestand is geen sfeer of stemming, maar een feitelijke modus van het brein. En pas in die modus werken de klassieke verschijnselen: pijnloosheid, leeftijdsregressie, hallucinaties, post-hypnotische amnesie. De inductie is dan geen ritueel of kunstje, maar het middel dat de proefpersoon in die staat brengt.2
Hilgard introduceerde binnen deze theorie het begrip dissociatie. Cognitieve systemen die normaal samenwerken, raken tijdens hypnose tijdelijk losgekoppeld. Een deel van de persoon ervaart iets — pijn, beweging, beeld — terwijl een ander deel daar geen weet van heeft, of juist wél weet en zwijgt. De hidden observer is daarvan de meest dramatische uitdrukking.1
Voor staattheoretici is de richting van het verhaal duidelijk. De trance is de oorzaak. De suggesties werken omdat er een staat is waarin ze kunnen werken.
Het sociale spel
Een ander kamp ziet het anders. Nicholas Spanos, Theodore Barber en later Irving Kirsch betoogden vanaf de jaren zestig en zeventig dat er geen aparte staat nodig is om hypnotische verschijnselen te verklaren. Wat onderzoekers en hypnotiseurs een trance noemen, is volgens hen het resultaat van alledaagse psychologische processen: verbeelding, motivatie, verwachting, attitude en de bereidheid om een sociale rol op te nemen.3
In deze visie is de gehypnotiseerde proefpersoon geen passieve ontvanger, maar een actieve uitvoerder. Hij probeert de suggesties van de hypnotiseur in zijn eigen ervaring waar te maken — een proces dat in deze traditie wel is omschreven als believed-in imaginings, geloofde verbeelding.4 De inductie is dan geen mechanisme dat een staat veroorzaakt, maar een ritueel dat de context definieert als hypnotisch. Daarmee verschuiven verwachtingen, en met die verwachtingen verschuift het gedrag.
Het opvallende aan deze richting is dat ze de fenomenen niet ontkent. Pijnloosheid, hallucinaties, geheugenveranderingen — die treden allemaal op. Alleen niet omdát er een trance is. Ze treden op omdat de persoon ze in zichzelf produceert, omdat hij gelooft dat het kan en de context erom vraagt.
Wat scans wel en niet laten zien
Decennia van hersenonderzoek hebben het debat niet beslecht. Er zijn veranderingen in hersenactiviteit gevonden tijdens hypnose — in de anterior cingulate cortex, in de connectiviteit tussen het default mode network en regio’s voor executieve controle, en in de manier waarop pijnprikkels door de cortex worden verwerkt.5 Maar een uniforme handtekening — één patroon dat bij iedere gehypnotiseerde proefpersoon te zien is en in geen enkele andere toestand voorkomt — is niet gevonden.
Dat is een ongemakkelijk feit voor de sterke staattheorie. Als hypnose één specifieke staat is, zou die staat in het brein af te lezen moeten zijn. De gevonden veranderingen blijken echter sterk afhankelijk van de hypnotiseerbaarheid van de proefpersoon — laag-hypnotiseerbare deelnemers vertonen ze nauwelijks — en variëren met de inhoud van de suggesties.
Voor niet-staattheoretici is dat geen probleem. Verschillende suggesties produceren verschillende ervaringen, dus verschillende patronen. Voor staattheoretici is het ongemakkelijker, maar niet fataal: misschien is “de staat” niet één patroon, maar een verzameling configuraties die door inductie en suggestie samen worden geactiveerd.
Twee paden, één fenomeen
In de afgelopen twee decennia verschuiven de fronten. Geen van beide kampen heeft het andere overtuigd, maar steeds meer onderzoekers werken aan integratieve modellen die elementen uit beide opnemen. Lynn, Laurence en Kirsch formuleerden er een in 2015: hypnose wordt het best begrepen als een samenspel van sociaal-cognitieve variabelen — verwachting, motivatie, rolperceptie — én reële veranderingen in hoe het brein informatie verwerkt.2
Predictive coding-theorieën bieden een mogelijke brug. In dat kader ontstaan ervaringen niet door passieve waarneming, maar door een brein dat voortdurend voorspellingen genereert en die toetst aan binnenkomende signalen. Suggestie wordt dan het verschuiven van een prior — een voorspelling — waarna de ervaring meebeweegt.6 Wie de suggestie krijgt dat zijn hand gevoelloos is en die suggestie aanneemt, verandert het voorspellingsmodel; de waarneming volgt.
In dit model is de trance geen aparte staat, maar ook geen louter sociaal toneel. Het is een verschuiving in hoe het brein zijn modellen weegt. Daarmee verdwijnt de scherpe tegenstelling — niet omdat één van beide kampen gelijk krijgt, maar omdat de vraag zelf herformuleerd wordt.
Wat het debat betekent
Voor de praktijk maakt het uit hoe over hypnose wordt gesproken. Wie de trance presenteert als een speciale toestand die vanzelf werkt zodra je erin komt, geeft het verschijnsel een gewicht dat het wetenschappelijk niet draagt. Wie hypnose afdoet als rollenspel mist juist dat er werkelijk iets verandert — in beleving, in pijnverwerking, in hersenactiviteit.
Het debat is niet beslist, en zal misschien nooit volledig beslecht worden. Wat wel duidelijk wordt: de trance is geen toverwoord en het toneel is geen geheim. Hypnose werkt. De vraag hoe blijft open.
Voetnoten
- Hilgard, E. R. (1977). Divided consciousness: Multiple controls in human thought and action. Wiley. ↩ ↩2
- Lynn, S. J., Laurence, J.-R., & Kirsch, I. (2015). Hypnosis, suggestion, and suggestibility: An integrative model. American Journal of Clinical Hypnosis, 57(3), 314–329. ↩ ↩2
- Kirsch, I., & Lynn, S. J. (1995). The altered state of hypnosis: Changes in the theoretical landscape. American Psychologist, 50(10), 846–858. ↩
- Sarbin, T. R. (1998). Believed-in imaginings: A narrative approach. In J. de Rivera & T. R. Sarbin (red.), Believed-in imaginings: The narrative construction of reality. American Psychological Association. ↩
- Jiang, H., White, M. P., Greicius, M. D., Waelde, L. C., & Spiegel, D. (2017). Brain activity and functional connectivity associated with hypnosis. Cerebral Cortex, 27(8), 4083–4093. ↩
- Martin, J.-R., & Pacherie, E. (2019). Alterations of agency in hypnosis: A new predictive coding model. Psychological Review, 126(1), 133–152. ↩
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
