Je rijdt een afrit af die je elke dag neemt, en pas bij het stoplicht besef je dat je de laatste kilometers niet hebt meegemaakt. De handen stuurden, de voeten remden, er werd van baan gewisseld — en van dat alles is er geen bestuurder die je je kunt herinneren. Even is er een lichte schrik. Wie reed daar?
Het is dezelfde vraag als die van de vrouw die na een sessie naar haar eigen arm keek en zich afvroeg of zij het was geweest. Aan het slot van dat stuk beloofde ik daarop terug te komen: als hypnose een tijdelijke hermodellering van het zelf is, en als dat zelf altijd een model is, wat is dan de gewone waaktoestand? Dit is die andere keer.
De vraag die bleef liggen
De vorige keer viel het zelf uiteen in een model. Geen ding binnen in je hoofd dat je waarnemingen ontvangt, maar een doorlopende constructie — Metzinger noemt het het fenomenale zelfmodel, Seth een gecontroleerde hallucinatie van het zelf zijn. Hypnose bleek in dat licht geen ingreep op een vast ik, maar een tijdelijke herinrichting van dat model. En precies daar wringt het. Want als het zelf altijd een model is, dan is de gewone waaktoestand niet de neutrale grond waartegen hypnose de uitzondering vormt. Dan is ook zij een model. Alleen merken we dat niet.
Doorzichtig glas
Dat niet-merken is Metzingers scherpste inzicht. Het zelfmodel is doorgaans doorzichtig: we ervaren het niet als model, we kijken er dwars doorheen en houden wat we zien voor de werkelijkheid zelf.1 Zoals je een schone ruit niet ziet — je ziet de tuin erachter. De waaktoestand is die doorzichtigheid. Het modelleren draait onophoudelijk, en we betrappen het nooit op heterdaad. Wat we “normaal” noemen, is geen rauwe werkelijkheid maar een constructie die zo naadloos is dat ze verbergt dat ze een constructie is.2
De trances die je geen trance noemt
De machinerie die hypnose gebruikt, draait de hele dag door. Opgaan in een boek tot de kamer verdwijnt. De snelweg die je niet meer terugvindt in je geheugen. Ongeveer de helft van de wakkere tijd is de geest ergens anders dan waar het lichaam is — Killingsworth en Gilbert peilden een kwart miljoen momenten en vonden de aandacht zo’n 47 procent van de tijd afgedwaald.3 Dat zijn geen uitzonderlijke toestanden. Het is de textuur van een gewone dag. En de aanleg om diep weg te zakken in een film of een taak is dezelfde die voorspelt hoe iemand op hypnose reageert: absorptie. Tellegen en Atkinson doopten haar een halve eeuw geleden — de openheid om op te gaan in ervaringen die het zelf tijdelijk verschuiven — en ze is nog altijd de betrouwbaarste karaktertrek die met hypnotiseerbaarheid samenhangt, al is dat verband bescheiden.4 Wie zich verliest in een roman en wie reageert op een suggestie, putten uit één vermogen.
Waarom het tóch geen leeg woord is
Hier ligt de valstrik die de vorige keer al werd benoemd. Als “trance” gaat betekenen: elke toestand waarin het zelfmodel zijn gewone werk doet, dan is alles trance, en zegt het woord niets meer. Een term die heel het wakkere leven dekt, beschrijft er niets van. De eerlijke claim is dan ook niet dat waak gelijkstaat aan trance. Het is dat ze in graad verschillen, langs een paar aanwijsbare assen, niet in soort.
Die assen laten zich benoemen. Absorptie: hoeveel van de omgeving wegvalt. Het gevoel van auteurschap: of de meta-representatie “ik doe dit” aanwezig is, of onderdrukt, zoals bij de arm die vanzelf omhoogkomt — Dienes en Perner noemden dat cold control.5 En de bronbewaking: hoe streng het model wordt getoetst aan de wereld en aan zijn eigen herkomst, de vraag of iets van buiten komt of van jou. In diepe hypnose vieren die teugels in een bepaald patroon. Op de snelweg maar een deel ervan. Bij verzonken lezen weer andere. Trance is niet de aanwezigheid van een geheimzinnige staat; het is een configuratie — welke teugels vieren, en hoe ver. Waak is de configuratie waarin ze grotendeels strak staan.
Wakker worden
Er is een oudere manier om dit te zeggen. Contemplatieve tradities houden al lang vol dat het gewone bewustzijn een soort slaap is, en dat je eruit kunt ontwaken. Ontdaan van metafysica is die claim bescheiden en precies: het doorzichtige model laat zich met opzet ondoorzichtig maken. Meditatie richt de aandacht op het modelleren zelf — niet op de gedachte maar op het opkomen ervan, niet op het zelf maar op het gevoel een zelf te zijn. Wat de mysticus ontwaken noemde, heet in deze taal het zelfmodel even ondoorzichtig maken. Hypnose doet het van buitenaf, met een andere stem; meditatie van binnenuit, met aandacht. Beide onderbreken de doorzichtigheid voor een moment.
De schrik op de afrit, de vrouw die naar haar arm keek — dat zijn de zeldzame ogenblikken waarop de ruit even beslaat en je ziet dat je ergens doorheen hebt gekeken. Hypnose ensceneert dat met opzet.
Ze maakt het glas even zichtbaar. De rest van de dag kijken we er dwars doorheen, en noemen dat wakker zijn.
Voetnoten
- Metzinger, T. (2003). Being No One: The Self-Model Theory of Subjectivity. MIT Press. Toegankelijker: Metzinger, T. (2009). The Ego Tunnel: The Scientific Search for the Self. Basic Books. ↩
- Seth, A. (2021). Being You: A New Science of Consciousness. Faber & Faber. ↩
- Killingsworth, M. A., & Gilbert, D. T. (2010). A Wandering Mind Is an Unhappy Mind. Science, 330(6006), 932. ↩
- Tellegen, A., & Atkinson, G. (1974). Openness to absorbing and self-altering experiences (“absorption”), a trait related to hypnotic susceptibility. Journal of Abnormal Psychology, 83(3), 268–277. ↩
- Dienes, Z., & Perner, J. (2007). The cold control theory of hypnosis. In G. Jamieson (red.), Hypnosis and Conscious States: The Cognitive Neuroscience Perspective (pp. 293–314). Oxford University Press. ↩
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Pingback: De schakelaar die geen schakelaar is -