Slaat gevoel zich op in het lichaam?
Onlangs kwam hetzelfde beeld drie keer voorbij in mijn tijdlijn. Een psychotherapeut schrijft dat depressie in de kern ingeslikte boosheid is, of verdriet dat niet heeft mogen stromen, en dat het woord het zelf al zegt: de-pressie, het wegdrukken van gevoel. Onder het bericht vat iemand het samen: wat geen ruimte krijgt, wordt ergens opgeslagen. Een scroll verder schrijft een huisarts dat het lichaam de waarheid spreekt en vasthoudt wat we niet durven te voelen.
Drie mensen, drie achtergronden, één beeld: een vat dat volloopt. Wat er niet uit mag, hoopt zich op, tot het lekt als klacht of ziekte.
Het beeld is oud. Het is ook onderzocht.
Een vat dat volloopt
De gedachte dat depressie naar binnen gekeerde woede is, heeft een aanwijsbare herkomst. Freud beschreef in 1917 hoe de verwijten die een melancholicus zichzelf maakt, in wezen verwijten zijn aan een verloren geliefde, die zich tegen het eigen ik hebben gekeerd.1 Het idee paste in een breder hydraulisch denkbeeld: emoties als druk in een gesloten systeem, die een uitweg zoekt. Wie de klep dichthoudt, bouwt spanning op. Wie hem opent, lucht op.
De taal lijkt dat te bevestigen. Depressie tegenover expressie: het ene drukt neer, het andere drukt uit. Maar de woordgeschiedenis vertelt iets anders. Het Latijnse deprimere betekent neerdrukken, en het Engelse depression stond rond 1400 voor de hoek van een ster onder de horizon. De betekenis van terneergeslagenheid kwam later, de klinische pas aan het begin van de twintigste eeuw.2 Het beeld achter het woord is een stemming die gezonken is, geen gevoel dat wordt binnengehouden. Hetzelfde woord beschrijft een lagedrukgebied en een economische crisis. Niemand denkt dat de economie haar gevoelens inslikt.
Etymologie bewijst bovendien weinig over mechanismen. Een woord vertelt hoe mensen ooit over iets dachten, niet hoe het werkt. Wat het vatmodel waard is, moet uit onderzoek blijken. En dat onderzoek is er.
Uiten is geen leeglopen
Als emoties zich opstapelen, moet uiten opluchten. In De ontlading die niets oploste beschreef ik hoe slecht die voorspelling het doet: wie na een belediging op een bokszak slaat en daarbij aan de dader denkt, wordt bozer en niet rustiger.3 Dat was één reeks experimenten. Inmiddels is het beeld breder.
Brad Bushman en Sophie Kjærvik bundelden 154 studies met samen meer dan tienduizend deelnemers.4 Activiteiten die de lichamelijke opwinding verhogen, zoals slaan of hardlopen, verminderden boosheid nauwelijks en vergrootten haar soms. Wat wel hielp, waren activiteiten die het lichaam tot rust brengen: langzaam ademen, ontspanning, meditatie. Boosheid loopt niet weg via een uitlaatklep. Ze zakt wanneer het lichaam tot rust komt.
Dat is precies wat niet zou gebeuren als er een reservoir bestond. Er is geen reservoir. Een emotie is geen hoeveelheid die ergens heen moet, maar een toestand die opkomt en weer wegebt.
Wegduwen kost wel iets
Toch zit er in het vatmodel een kern die klopt, en wie die overslaat, maakt het zich te makkelijk. Onderdrukken heeft een prijs.
James Gross en Oliver John onderscheidden twee manieren om met een opkomende emotie om te gaan.5 Bij herwaardering kijkt iemand anders naar de situatie, waardoor de emotie minder sterk opkomt. Bij expressieve onderdrukking blijft de emotie bestaan, maar wordt de uiting ervan verborgen. Wie vooral onderdrukt, ervaart meer negatieve en minder positieve emoties, functioneert sociaal minder goed en is minder tevreden met het leven. In het laboratorium blijft het lichaam van wie onderdrukt bovendien verhoogd actief.
Ook gedachten laten zich slecht wegduwen. Daniel Wegner vroeg proefpersonen om niet aan een witte beer te denken; daarna dachten ze er juist vaker aan.6 Wat dat betekent voor pijnlijke herinneringen, besprak ik in Wat je probeert te vergeten, onthoud je beter. En in een meta-analyse over emotieregulatie en psychische klachten hingen vermijding en piekeren duidelijk samen met klachten, onderdrukking in mindere mate.7
Wegduwen kost dus iets. Maar die kosten ontstaan zolang er geduwd wordt. Het is een proces dat doorloopt, geen voorraad die zich opstapelt. Dat verschil lijkt klein. Het bepaalt wat helpt.
Wie gelooft in opslag, gaat graven: de emotie moet eruit, het oude verdriet moet alsnog gevoeld worden. Maar ook ruimte geven kan ontsporen. Piekeren, het steeds opnieuw doorkauwen van wat misging en hoe slecht het voelt, is een van de best onderzochte factoren die een depressie verlengen.8 Wie eindeloos ruimte geeft aan somberheid, verdwijnt er soms in. Gezonde regulatie blijkt vooral flexibel: soms toelaten, soms herwaarderen, soms afleiding zoeken, afhankelijk van wat de situatie vraagt.9
Wat geen ruimte krijgt, slaat zich niet op. Wat steeds vermeden wordt, wordt wel een gewoonte.
Werkzaam is geen verklaring
De therapeut uit de opening had de uitspraak opgedaan tijdens een opleiding in interpersoonlijke psychotherapie (IPT). Dat is opvallend, want IPT is een van de weinige therapieën die zich nadrukkelijk niet bezighoudt met een verborgen oorsprong.
IPT werd in de jaren zeventig ontwikkeld door Gerald Klerman en Myrna Weissman.10 De therapie is kortdurend en gericht op het heden. Ze werkt met vier probleemgebieden: rouw, conflicten in relaties, overgangen tussen levensrollen en een tekort aan sociale contacten. En ze hanteert een uitgesproken medisch model. Aan het begin krijgt de cliënt uitdrukkelijk de rol van patiënt: depressie geldt als een aandoening die iemand overkomt, niet als karakterfout en niet als ingeslikt gevoel.
IPT staat als werkzame behandeling in de richtlijnen voor depressie. Dat zegt iets over wat de therapie bereikt. Het zegt niets over de theorie die er in een LinkedIn-bericht aan wordt opgehangen. Werkzaamheid bewijst geen mechanisme, en al helemaal geen mechanisme uit een andere traditie.
Ook het woord altijd houdt geen stand. Tweelingonderzoek schat de erfelijkheid van depressie op 31 tot 42 procent.11 Dat getal zegt niet welk deel van iemands depressie in de genen zit; het beschrijft welk deel van de verschillen tussen mensen in een populatie samenhangt met erfelijke verschillen. Wel laat het zien dat depressie geen enkelvoudige oorzaak heeft. Er bestaan depressies na verlies of conflict, en depressies die zonder aanwijsbare aanleiding opkomen. Wie zegt dat het altijd om ingeslikt gevoel gaat, zoekt bij die laatste groep de oorzaak in iets wat ze niet zouden durven voelen.
Archief of alarm
Het bericht van de huisarts is het interessantste van de drie, juist omdat het voorzichtig klinkt. Er staat in dat niet iedere klacht een psychologische oorzaak heeft en dat elke aandoening medisch beoordeeld moet worden. En er staat in wat klopt: langdurige stress kan eczeem verergeren en darmklachten beïnvloeden. Dat betwist geen arts.
Tussen die verdedigbare zinnen schuift een andere bewering mee. Gevoelens die niet worden toegelaten, zouden zich vastzetten in het lichaam, en het lichaam zou de waarheid spreken. Nieuw is dat model niet. Revalidatiearts John Sarno zag rugpijn als een afleiding die het brein maakt om onderdrukte emoties buiten beeld te houden; ik besprak zijn boek The Divided Mind eerder. Het voorbeeld uit het bericht van de huisarts laat zien waar het wringt: een brok in de keel bij verdriet dat moeilijk naar buiten komt. Die brok is geen opgeslagen verdriet. Zo voelt verdriet aan terwijl het optreedt. Het voorbeeld toont dat gevoel en lichaam samenvallen, niet dat het lichaam iets bewaart.
Dat het lichaam de waarheid spreekt, is de zwakste bewering. Het brein ontvangt lichaamssignalen niet passief, maar voorspelt en interpreteert ze voortdurend, en die interpretatie zit er geregeld naast.12 Een paniekaanval voelt als een hartinfarct. Bij gezondheidsangst wordt elk signaal een dreiging. Het lichaam is een alarm dat gelezen moet worden, geen archief dat de waarheid bewaart. Voor trauma werkte ik dat onderscheid eerder uit in Het lichaam houdt geen score bij; voor alledaagse klachten geldt het evengoed.
De huisarts beroept zich op twee auteurs die het archiefbeeld groot hebben gemaakt. Bessel van der Kolk stelt in The Body Keeps the Score dat trauma zich vastlegt in lichaam en hersenen.13 Psychiater Michael Scheeringa liep 122 claims uit het boek na en vond geciteerd bewijs dat onvolledig, selectief of onjuist was weergegeven.14 De hersenverschillen bij posttraumatische stress komen uit dwarsdoorsnedeonderzoek, dat geen oorzaak kan aantonen. Drie overzichtsstudies van onderzoek dat mensen al vóór hun trauma volgde, wijzen erop dat die verschillen er eerder waren: ze passen bij kwetsbaarheid, niet bij schade. En de lichaamsgerichte behandelingen die het boek aanprijst omdat trauma in het lichaam zou zitten, presteren niet beter dan traumagerichte gesprekstherapie. Scheeringa verklaart de populariteit van het boek met neurorealisme: een theorie wint aan overtuigingskracht zodra er hersenonderzoek achter lijkt te staan. Twintig jaar eerder had Richard McNally al laten zien dat mensen hun trauma doorgaans niet kwijtraken, maar juist te goed onthouden.15
Gabor Maté gaat een stap verder. Hij verbindt onderdrukte emoties, vooral boosheid, via stresshormonen en het afweersysteem met kanker.16 Dat is getoetst, en de uitkomst is minder spectaculair dan het verhaal. Een gepoolde analyse van zes prospectieve cohorten met ruim 42.000 deelnemers vond geen verband tussen persoonlijkheid en het ontstaan van of sterfte aan kanker.17 Die studie mat brede persoonlijkheidstrekken, niet onderdrukking, en Maté legt zelf de nadruk op stress. Maar ook werkstress, gemeten bij ruim 116.000 Europese werkenden in twaalf cohorten, hing niet samen met kanker.18 Een eerdere meta-analyse van prospectief onderzoek vond wel verbanden met een stressgevoelige persoonlijkheid, ongunstige coping en negatieve emoties, al wezen de auteurs zelf op publicatiebias.19 De grootste toets tot nu toe, met individuele gegevens van ruim 420.000 deelnemers uit 22 cohorten, vond voor de meeste kankersoorten geen verband.20 Hoe zorgvuldiger het onderzoek, hoe kleiner het effect. Ook dat is een bevinding.
Het patroon heeft een naam: motte-and-bailey. De verdedigbare stelling, dat stress invloed heeft op lichamelijke klachten, dient als schuilplaats. Wat de lezer meekrijgt, is de sterkere: een klacht vertelt wat iemand wegdrukt. Dat heeft een prijs. Wie met een lichamelijke klacht hoort dat het lichaam iets probeert te zeggen, krijgt er een opdracht bij: zoek uit welk gevoel je tegenhoudt. Zo wordt een klacht een verwijt, en kan de uitleg het lijden gaan voeden dat ze zou verklaren, zoals ik eerder beschreef in Wanneer de verklaring de klacht wordt.
Een vat of een gewoonte
Het vatmodel blijft hangen, en dat is begrijpelijk. Het is aanschouwelijk, het geeft lijden betekenis en het belooft een uitweg: wat erin zit, kan eruit. Een klacht wordt een boodschap, en een boodschap valt te ontcijferen.
Wat het onderzoek laat zien, is minder dramatisch en bruikbaarder. Gevoelens hopen zich niet op. Vermijding wel, als gewoonte die zich herhaalt zolang ze iets oplevert. Uiten lucht niet vanzelf op, en uitgraven evenmin. Wat helpt, is beweeglijk omgaan met wat er opkomt: toelaten waar dat kan, anders kijken waar dat helpt, en het lichaam tot rust laten komen in plaats van het te ondervragen.
Een vat kun je legen. Een gewoonte moet je afleren.
Bronnen
- Freud, S. (1917). Trauer und Melancholie. Internationale Zeitschrift für ärztliche Psychoanalyse, 4(6), 288–301. ↩
- Harper, D. (z.d.). Depression. In Online Etymology Dictionary. https://www.etymonline.com/word/depression ↩
- Bushman, B. J. (2002). Does venting anger feed or extinguish the flame? Catharsis, rumination, distraction, anger, and aggressive responding. Personality and Social Psychology Bulletin, 28(6), 724–731. ↩
- Kjærvik, S. L., & Bushman, B. J. (2024). A meta-analytic review of anger management activities that increase or decrease arousal: What fuels or douses rage? Clinical Psychology Review, 109, 102414. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2024.102414 ↩
- Gross, J. J., & John, O. P. (2003). Individual differences in two emotion regulation processes: Implications for affect, relationships, and well-being. Journal of Personality and Social Psychology, 85(2), 348–362. ↩
- Wegner, D. M., Schneider, D. J., Carter, S. R., & White, T. L. (1987). Paradoxical effects of thought suppression. Journal of Personality and Social Psychology, 53(1), 5–13. ↩
- Aldao, A., Nolen-Hoeksema, S., & Schweizer, S. (2010). Emotion-regulation strategies across psychopathology: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review, 30(2), 217–237. ↩
- Nolen-Hoeksema, S., Wisco, B. E., & Lyubomirsky, S. (2008). Rethinking rumination. Perspectives on Psychological Science, 3(5), 400–424. ↩
- Bonanno, G. A., & Burton, C. L. (2013). Regulatory flexibility: An individual differences perspective on coping and emotion regulation. Perspectives on Psychological Science, 8(6), 591–612. ↩
- Klerman, G. L., Weissman, M. M., Rounsaville, B. J., & Chevron, E. S. (1984). Interpersonal psychotherapy of depression. Basic Books. ↩
- Sullivan, P. F., Neale, M. C., & Kendler, K. S. (2000). Genetic epidemiology of major depression: Review and meta-analysis. American Journal of Psychiatry, 157(10), 1552–1562. ↩
- Barrett, L. F., & Simmons, W. K. (2015). Interoceptive predictions in the brain. Nature Reviews Neuroscience, 16(7), 419–429. ↩
- Van der Kolk, B. (2014). The body keeps the score: Brain, mind, and body in the healing of trauma. Viking. ↩
- Scheeringa, M. S. (2026). Evaluating evidence behind popular trauma narratives: Neurobiological and treatment claims in The Body Keeps the Score. BJPsych Bulletin, 50(4), 345–347. https://doi.org/10.1192/bjb.2025.10174 ↩
- McNally, R. J. (2003). Remembering trauma. Harvard University Press. ↩
- Maté, G. (2003). When the body says no: The cost of hidden stress. Knopf Canada. Hoofdstuk 7, pp. 79–90, en hoofdstuk 9, pp. 113–127. ↩
- Jokela, M., Batty, G. D., Hintsa, T., Elovainio, M., Hakulinen, C., & Kivimäki, M. (2014). Is personality associated with cancer incidence and mortality? An individual-participant meta-analysis of 2156 incident cancer cases among 42 843 men and women. British Journal of Cancer, 110(7), 1820–1824. ↩
- Heikkilä, K., Nyberg, S. T., Theorell, T., e.a., for the IPD-Work Consortium. (2013). Work stress and risk of cancer: Meta-analysis of 5700 incident cancer events in 116 000 European men and women. BMJ, 346, f165. https://doi.org/10.1136/bmj.f165 ↩
- Chida, Y., Hamer, M., Wardle, J., & Steptoe, A. (2008). Do stress-related psychosocial factors contribute to cancer incidence and survival? Nature Clinical Practice Oncology, 5(8), 466–475. https://doi.org/10.1038/ncponc1134 ↩
- Van Tuijl, L. A., Pan, K.-Y., Basten, M., Vermeulen, R., Portengen, L., De Graeff, A., Dekker, J., Geerlings, M. I., Hoogendoorn, A. W., Lamers, F., Voogd, A. C., Abell, J., Awadalla, P., Beekman, A. T. F., Bjerkeset, O., Boyd, A., Cui, Y., Galenkamp, H., Garssen, B., . . . Ranchor, A. V. (2026). Psychosocial factors and the risk of cancer: An individual-participant data meta-analysis. Cancer, 132(7), Artikel e70271. https://doi.org/10.1002/cncr.70271 ↩
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
