Deel 2 van een drieluik over de gevolgen van neuromythes — in coaching, therapie en onderwijs.
Een vrouw kwam binnen omdat ze slecht sliep en elke vergadering met een knoop in haar maag tegemoet ging. Een halfjaar later loopt ze de deur uit met een woordenschat die ze eerder niet had: haar zenuwstelsel is “ontregeld”, haar lichaam “houdt de score bij”, haar systeem staat “in overleving”. De slapeloosheid is iets beter. Maar er is iets bijgekomen wat er bij binnenkomst niet was — een waakzaamheid over haar eigen lichaam, een naam voor elke kramp. De klacht is kleiner geworden. De verklaring is groter.
In het eerste paneel bleef die uitruil zonder veel gevolgen. Een coach die zegt dat de amygdala het overneemt, leent gezag dat hij niet bezit, maar de cliënt komt vrijwillig, kan weglopen, draagt geen acute nood. Een onjuist zelfbeeld is daar hinderlijk, geen ramp. In de spreekkamer ligt dat anders. Daar zit iemand niet omdat hij vooruit wil, maar omdat hij vastzit. En tegen iemand die vastzit kan een verklaring iets doen wat ze in de coachkamer niet kon: ze kan deel worden van de klacht zelf.
Van uitleg naar diagnose
Het verschil zit in de status. In de coachkamer is “je amygdala kaapt je reactie” een beeld dat troost. In de spreekkamer wordt het een diagnose die in een behandelplan terechtkomt. De therapeut spreekt met klinisch gezag, de cliënt is kwetsbaarder, en de uitleg krijgt het gewicht van een bevinding over zijn brein. Tegen een mening valt iets in te brengen. Tegen een feit over je eigen zenuwstelsel niet.
Dat dit gewicht niet onschuldig is, blijkt uit onderzoek naar wat psychologen “diagnosis threat” noemen — de iatrogene kant van het labelen zelf. Wie mensen met een licht hoofdletsel vooraf wijst op de mogelijke cognitieve gevolgen ervan, ziet hen meer klachten rapporteren, en in verschillende studies ook slechter presteren op aandacht en geheugen, dan een vergelijkbare groep die diezelfde aandacht niet kreeg.1 Het effect op de gerapporteerde klacht is robuust; over het effect op de feitelijke prestatie wordt nog gediscussieerd. De richting is wat telt: de verwachting die met de uitleg meekomt, kleurt wat de cliënt aan zichzelf waarneemt.
Hoe een verklaring een symptoom wordt
Om te begrijpen waarom dat meer is dan inbeelding, helpt één keer de lens van het voorspellende brein. Waarneming is geen passieve registratie van wat het lichaam meldt; ze is een gok. Het brein vormt voortdurend verwachtingen over wat het binnenkrijgt, en weegt de binnenkomende signalen tegen die verwachtingen.2 Een verklaring die met gezag wordt gebracht en die past, wordt zo’n verwachting — een stevige aanname waartegen elk lichaamssignaal voortaan wordt afgelezen. Hoe sterker de aanname, hoe meer de waarneming zich ernaar voegt, en hoe losser ze raakt van wat het lichaam werkelijk doet.
Dat is geen theorie zonder grond. In experimenten blijken mensen lichamelijke klachten te kúnnen aanleren: wie leert een onschuldige prikkel met benauwdheid te verbinden, ervaart die benauwdheid vervolgens ook zonder de prikkel.3 Een verklaring die een cliënt aanreikt — “dit is je ontregelde zenuwstelsel” — werkt op dezelfde manier. Ze richt de aandacht naar binnen, geeft elke onschuldige sensatie een dreigende betekenis, en maakt zo de waakzaamheid die ze zegt te verklaren. De uitleg beschrijft de klacht niet langer. Ze onderhoudt hem.
De teruggehaalde herinnering
Het scherpst wordt dit waar de verklaring een verleden binnenhaalt. Een therapie die ervan uitgaat dat de klacht in een vergeten gebeurtenis wortelt, gaat op zoek naar die gebeurtenis — en vindt haar vaak. Maar het geheugen levert niet wat er was; het construeert wat past. Onder suggestieve navraag blijken mensen een geloofwaardige herinnering te kunnen vormen aan iets wat nooit gebeurde, compleet met detail en overtuiging.4 Of die stap van het laboratorium naar de spreekkamer ook geldt voor herinneringen aan misbruik, is omstreden en omstreden gebleven. Maar het risico is reëel genoeg dat beroepsverenigingen jarenlang hebben gewaarschuwd tegen technieken die herinneringen “terughalen”. Wie een oorsprong zoekt, kan er een maken — en de cliënt loopt rond met een verleden dat de therapie hem heeft aangereikt.
Het eerlijke tegenargument
Hier hoort het sterkste tegengeluid, en het is niet zwak. De narratieve therapie heeft een naam voor wat een goede uitleg doet: externaliseren. “De persoon is niet het probleem; het probleem is het probleem.”5 Wie zijn klacht niet langer als een gebrek in zichzelf ziet maar als iets wat hém overkomt, wordt lichter, minder beschaamd, beweeglijker. “Het is niet jij, het is je amygdala” doet precies dat. Het haalt de schuld weg, opent ruimte, geeft hoop. Voor wie jarenlang dacht dat er iets mis was met hém, is dat geen kleinigheid.
Het probleem is niet de externalisering. Het is waarheen ze externaliseert. De narratieve therapeut verplaatst het probleem naar buiten, naar de relatie, naar het verhaal — naar iets waar de cliënt zich toe kan verhouden. De neuromythe verplaatst het naar binnen, naar een orgaan, naar een zenuw, naar een biologisch feit dat niet bestaat. En een verklaring die naar het lichaam wijst, is precies het soort waar een voorspellend brein naar gaat handelen. De schaamte daalt, en er gaat een aanname naar binnen. De beweging die helpt, plant het volgende probleem.
De opluchting, en de prijs
Calibratie, geen halvering. De opluchting is echt. De band met de therapeut is echt. Dat de cliënt opknapt, is echt. Wat niet klopt, is de verklaring — en in de spreekkamer kan juist die onjuiste verklaring dragend worden voor het lijden dat ze benoemt. Dat is het verschil met het eerste paneel: daar leende de uitleg gezag, hier wordt ze fundament.
En er gaat iets verloren wat losstaat van de uitkomst. De cliënt stemde in met een herinterpretatie van zichzelf op grond van iets onjuist. Dat het hielp, maakt die instemming niet geïnformeerd. Hij heeft recht op een begrip van zichzelf dat klopt — ook als een onjuist begrip toevallig troost.
De therapeut verzon deze taal niet. Ze leerde haar — in een opleiding, uit een veelverkocht boek, van een docent die het zelf geloofde. Daar, waar de volgende generatie behandelaars het verkeerde verhaal als waar meekrijgt, ligt het laatste paneel.
De opluchting was echt. Het zenuwstelsel erbij aangeleerd.
Voetnoten
- Suhr, J. A., & Gunstad, J. (2002). “Diagnosis threat”: The effect of negative expectations on cognitive performance in head injury. Journal of Clinical and Experimental Neuropsychology, 24(4), 448–457. Gerepliceerd in Suhr & Gunstad (2005), Journal of the International Neuropsychological Society, 11(1), 23–29. ↩
- Van den Bergh, O., Witthöft, M., Petersen, S., & Brown, R. J. (2017). Symptoms and the body: Taking the inferential leap. Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 74, 185–203. Zie ook Edwards, M. J., Adams, R. A., Brown, H., Pareés, I., & Friston, K. J. (2012). A Bayesian account of ‘hysteria’. Brain, 135(11), 3495–3512; en Henningsen, P., e.a. (2018). Persistent physical symptoms as perceptual dysregulation. Psychosomatic Medicine, 80(5), 422–431. ↩
- De Peuter, S., Van Diest, I., Lemaigre, V., e.a. (2005). Can subjective asthma symptoms be learned? Psychosomatic Medicine, 67(3), 454–461. ↩
- Loftus, E. F., & Pickrell, J. E. (1995). The formation of false memories. Psychiatric Annals, 25(12), 720–725. ↩
- White, M., & Epston, D. (1990). Narrative Means to Therapeutic Ends. New York: W. W. Norton. ↩
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Pingback: Wat kosten neuromythes in de coachpraktijk? -