Deel 1 van een drieluik over de gevolgen van neuromythes — in coaching, therapie en onderwijs.
Iemand zit tegenover een coach en hoort eindelijk een verklaring. “Dat is je amygdala die het overneemt.” Of: “95 procent van je gedrag is onbewust, daar moeten we bij zien te komen.” De woorden landen. Eerst herkenning, dan opluchting — niet ík faal, mijn brein doet iets. De cliënt staat lichter op dan hij ging zitten. Het gesprek heeft gewerkt.
En toch klopt er geen woord van.
Hier begint het ongemakkelijke deel van de neuromythes. Niet de vraag of ze waar zijn — dat zijn ze niet, en daarover is elders genoeg geschreven.1 De vraag is wat ze aanrichten wanneer ze wél werken. Want in de coachpraktijk werken ze vaak. De cliënt voelt zich beter, komt terug, beveelt de coach aan. Als het resultaat telt, lijkt de zaak gesloten.
Baat als bewijs
Het tegenargument verdient een eerlijke formulering, want het is niet dom. Een coach is geen wetenschapper. Een coach helpt iemand een stap verder, en als een beeld van het brein dat voor elkaar krijgt, waarom zou de exacte neuroanatomie er dan toe doen? De cliënt vraagt niet om een college neurobiologie. Hij vraagt om grip. Een metafoor die grip geeft doet haar werk — zoals een landkaart die niet het landschap is en je toch thuisbrengt. Wie daar bezwaar tegen maakt lijkt te muggenziften over een voetnoot terwijl de cliënt opknapt.
Dat argument is sterk genoeg om serieus te nemen. Het is alleen niet sterk genoeg.
Geleend gezag
Want de coach vertelt geen sprookje. Hij vertelt een sprookje met een witte jas aan. Het verschil tussen “ik denk dat je jezelf te hard aanpakt” en “je amygdala kaapt je reactie” zit niet in de troost — beide kunnen troosten — maar in het gezag. Het tweede leent de autoriteit van de neurowetenschap zonder de dekking ervan te bezitten. De cliënt hoort geen mening meer, hij hoort een feit. En tegen een feit over je eigen brein valt weinig in te brengen.
De term “amygdala hijack” komt van Daniel Goleman, die hem in 1995 populair maakte.2 Het onderzoek waar de term op leunt — het werk van Joseph LeDoux over snelle, niet-bewuste dreigingsverwerking — beschrijft iets veel voorzichtigers dan een kaping. LeDoux heeft er jarenlang op gewezen dat activiteit in de amygdala niet samenvalt met de bewuste beleving van angst, en dat de cortex niet het hulpeloze slachtoffer is dat het woord “hijack” suggereert.3 In de coachversie is zelfs die nuance verdwenen. Wat overblijft is een biologisch alibi: niet jij, je amygdala.
Daar zit de eerste schade. Niet in het beeld zelf, maar in de status die het beeld zich aanmeet.
Het zelfbeeld dat beklijft
De cliënt neemt het beeld mee naar buiten. Het wordt deel van hoe hij zichzelf uitlegt — aan zijn partner, aan zijn collega’s, aan zichzelf op een moeilijk moment. “Mijn amygdala neemt het over” verandert van iets wat de coach zei in iets wat hij zelf gaat zeggen. Hij ordent zijn ervaring rond een model dat niet bestaat. En op dat model neemt hij beslissingen: welke situaties hij vermijdt, wat hij van zichzelf verwacht, waar hij zijn grens legt.
Hier komt de instemming in het geding. De cliënt stemde in met een herinterpretatie van zichzelf op grond van een uitleg die onjuist was. Dat de uitleg hielp, maakt de instemming niet geïnformeerd. Het is een mild geval — coaching is geen geneeskunde — maar het is dezelfde categorie als wanneer een patiënt instemt met een ingreep op basis van een verkeerde diagnose. Het werkte misschien. Het klopte niet. En dat onderscheid raakt iets wat losstaat van de uitkomst: het recht van iemand om zichzelf te begrijpen zoals hij werkelijk in elkaar zit.
De deur die dichtvalt
Een verklaring die past dooft de nieuwsgierigheid. Wie meent te weten waarom hij reageert zoals hij reageert, zoekt niet verder. Dat is het tweede probleem met een verklaring die wel past maar niet klopt: ze verdooft het zoeken naar een betere. Misschien lag de oorzaak in slaap, in een relatie, in een aanleg, in iets wat met aandacht en tijd te veranderen was. De gekaapte amygdala sluit dat allemaal af in één zin. Het verhaal is af.
En het maakt afhankelijk. Het model zit bij de coach, niet bij de cliënt. Wie zijn binnenwereld leert lezen door een lens die een ander beheert, komt terug voor de volgende aflevering. De verklaring die bevrijdt, bindt.
Een begrensde schade — voorlopig
In de coachpraktijk blijft die schade begrensd. De cliënt komt vrijwillig, kan weglopen, draagt meestal geen acute nood met zich mee. Een onjuist zelfbeeld is hinderlijk, geen ramp. Daarom is coaching het lichtste van de drie panelen, en de plek om het tegenargument zijn volle gewicht te geven. Wie hier blijft staan, heeft een punt.
Maar het beeld blijft niet binnen de coachkamer. Het gaat mee naar buiten, naar plekken waar de inzet hoger ligt en de cliënt kwetsbaarder is. Wat gebeurt er wanneer dezelfde gekaapte amygdala wordt verteld aan iemand die niet vooruit wil maar vastzit — in de spreekkamer van een therapeut? Daar wordt de verklaring niet langer alleen een geleend gezag. Daar kan ze deel worden van de klacht zelf. Dat is het volgende paneel.
En de opluchting? Die was echt. Het brein erbij verzonnen.
Voetnoten
- Zie hierover op deze site onder meer het stuk over de amygdala en de stukken over het 95/5-percentage en de denktypen-mythe. ↩
- Daniel Goleman, Emotional Intelligence: Why It Can Matter More Than IQ. (1995). ↩
- Joseph LeDoux heeft dit onderscheid op meerdere plaatsen uitgewerkt, onder meer in Anxious (2015). ↩
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
