Wat je probeert te vergeten, onthoud je beter

Over verdringing, witte beren, en wat hypnose anders doet

Ik las laatst in Het Slimme Onbewuste van Ap Dijksterhuis een passage die me niet meer losliet. Hij verwijst naar de Amerikaanse journalist Mark Pendergrast — al spelt Dijksterhuis hem als “Pendergast” — die mensen had geïnterviewd die boeken hadden geschreven over Holocaust-overlevenden. Pendergrast stelde hen één vraag: kenden ze voorbeelden van overlevenden die hun herinneringen aan de kampen hadden verdrongen?

Niemand kende er één.

De overlevenden wilden vergeten. Sommigen hadden er álles voor over. Maar de herinneringen bleven.

Toen ik dit verder uitzocht, bleek dat Dijksterhuis Pendergrast niet rechtstreeks aanhaalt, maar via de Maastrichtse rechtspsychologen Harald Merckelbach en Marko Jelicic, die uitgebreid over geheugen hebben gepubliceerd. En Merckelbach deed met collega’s in 2002 zelf een studie onder oudere concentratiekamp-overlevenden: Amnesia, flashbacks, nightmares, and dissociation in aging concentration camp survivors. De bevinding bevestigde wat Pendergrast via biografen had gehoord: deze overlevenden lijden niet aan geheugenverlies. Ze lijden aan herinneringen die niet weg willen.

Wat verdringing niet doet

Dit gegeven staat haaks op een idee dat in de populaire psychologie heel diep zit. Het idee dat het brein pijnlijke ervaringen “wegstopt”, dat trauma “in de diepte verdwijnt” en daar onbereikbaar wacht tot een therapeut het komt ophalen. Het is een aantrekkelijk beeld. Het past bij hoe we denken over computers (vergeten bestanden) en bij hoe we denken over kluizen (sloten die je kunt openbreken).

Maar het is geen accurate beschrijving van hoe het menselijk geheugen werkt. De wetenschappelijke consensus, opgebouwd door onderzoekers als Elizabeth Loftus, Richard McNally en in Nederland door Merckelbach en collega’s, is dat ernstig trauma meestal niet verdwijnt uit het bewustzijn. Het dringt zich juist op. Het komt terug in flashbacks, dromen, intrusieve gedachten. PTSS is geen ziekte van vergeten — het is een ziekte van te goed herinneren.

Er bestaat een minderheidsstandpunt in de literatuur dat verdringing in beperkte vorm wel voorkomt, en dat debat is niet helemaal beslecht. Maar voor de grote, dramatische verdringing zoals die in films voorkomt — een traumatische gebeurtenis die jarenlang volledig uit het bewustzijn verdwijnt om dan via therapie weer naar boven te komen — bestaat eenvoudigweg weinig wetenschappelijke onderbouwing.

De witte beer

Dat is geen toeval. Het is ook geen tekortkoming van het brein. Het is hoe het brein werkt.

In 1987 deed de Amerikaanse psycholoog Daniel Wegner een experiment dat sindsdien tot de meest gerepliceerde bevindingen in de psychologie behoort. Hij gaf proefpersonen één opdracht: probeer vijf minuten lang niet aan een witte beer te denken.

Probeer het zelf, terwijl je dit leest. Vijf seconden. Niet aan een witte beer denken.

Dat lukt niet. En het lukt om een specifieke reden, die Wegner ironic process theory noemde. Om te controleren of je niet aan iets denkt, moet je brein continu monitoren of de gedachte er nog is. En om dat te monitoren, moet het — heel kort, heel snel — die gedachte oproepen. Het controleproces is zelf een vorm van denken aan datgene wat je probeert te vermijden.

Hoe harder je probeert iets niet te denken, hoe meer cognitieve middelen je inzet om te checken of het gelukt is, hoe vaker je dus aan precies dat denkt. De cirkel sluit zich. Bij neutrale gedachten (witte beren) is dat ongemakkelijk. Bij pijnlijke herinneringen is het kwellend.

Dit is wat de overlevenden in Pendergrasts interviews ervoeren. Ze wilden vergeten. Maar het mechanisme van willen-vergeten houdt de herinnering juist actief in stand.

Wat hypnose anders doet

Hier wordt het voor de hypnotherapeutische praktijk interessant. Want hypnose wordt door buitenstaanders vaak verward met juist datgene wat niet werkt: het wegduwen van pijnlijke inhoud. Mensen vragen mij wel eens of ik via hypnose hun trauma kan laten verdwijnen, hun verslaving kan uitwissen, hun angst kan begraven. Het antwoord is nee. Niet omdat ik het niet wil, maar omdat dat onmogelijk is. Wegner heeft laten zien waarom.

Wat hypnose wél doet, is iets anders. Het werkt niet via onderdrukking maar via heroriëntatie. Niet door iets weg te halen, maar door er iets náást te zetten dat de greep ervan vermindert.

Een concreet voorbeeld. Iemand komt met faalangst voor presentaties. De klassieke, verkeerd begrepen benadering zou zijn: laten we de angst onderdrukken. Probeer er niet aan te denken. Maar net als bij de witte beer wordt de angst dan groter, niet kleiner. Wat in trance wel kan werken, is de associaties rond presenteren uitbreiden. Naast de spanning kunnen ook andere herinneringen toegankelijk worden — momenten waarop iets goed ging, het lichaamsgevoel van zelfvertrouwen in een andere context, het gevoel van iets aan iemand uitleggen die het écht wil weten. De spanning verdwijnt niet, maar verliest haar exclusiviteit. Ze wordt één signaal naast andere, in plaats van het enige signaal dat het hele systeem domineert.

Suggesties zijn in deze lezing geen commando’s aan het onderbewuste, en al helemaal geen instructies om iets te vergeten. Ze zijn alternatieven die naast het bestaande worden gelegd. Het brein krijgt meer opties om de situatie te interpreteren. Een vastgelopen, eenzijdige reactie wordt weer flexibel.

Dat is iets fundamenteel anders dan verdringing. En het werkt om dezelfde reden waarom verdringing níet werkt: niet door tegen het brein in te gaan, maar door met de natuurlijke manier waarop het brein associeert mee te bewegen.

Wat dit voor jou betekent

Als je iets pijnlijks probeert te vergeten — een herinnering, een gevoel, een gedachte die blijft terugkomen — dan is de eerste belangrijke boodschap dat je daar niet in faalt. Het mechanisme van willen-vergeten houdt het in stand. Dat ligt niet aan jou.

De tweede boodschap is dat de oplossing niet harder duwen is. Niet meer wilskracht, niet meer afleiding, niet meer “er niet aan denken”. Dat zijn allemaal varianten van de witte beer.

Wat wel kan werken, is iets contra-intuïtiefs. Niet wegkijken, maar erbij blijven. Niet vergeten, maar verbreden. Niet kleiner maken, maar in een groter geheel plaatsen waarin de pijnlijke inhoud niet langer het enige is wat aandacht krijgt.

Wat je probeert te vergeten, onthoud je beter. Wat je durft aan te kijken, verliest zijn greep.


Bronnen

  • Dijksterhuis, A. (2024). Het Slimme Onbewuste (59e, geheel herziene druk). Prometheus.
  • Merckelbach, H., Dekkers, T., Wessel, I., & Roefs, A. (2003). Amnesia, flashbacks, nightmares, and dissociation in aging concentration camp survivors. Behaviour Research and Therapy, 41(3), 351-360.
  • Pendergrast, M. (1995). Victims of Memory: Incest Accusations and Shattered Lives. Upper Access.
  • Wegner, D. M. (1987). Paradoxical effects of thought suppression. Journal of Personality and Social Psychology, 53(1), 5-13.

Ontdek meer van

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Scroll naar boven