Een collega beschreef onlangs haar ommekeer. Vijfentwintig jaar plakte zij als laborant klinische neurofysiologie elektroden op hoofden en zocht op het scherm naar epileptische activiteit, naar signalen die het blote oog niet ziet. Tijdens corona hoorde zij iets wat dat vak in een ander licht zette: trance is ook meetbaar op het EEG. Zij volgde drie opleidingen tot hypnotherapeut. Sindsdien kijkt zij niet meer naar wat er mis kan gaan in een brein, maar naar wat er kan veranderen.
De zin die bleef hangen stond er vlak achter. Als trance een meetbare hersenstaat is waarin hypnose makkelijker kan plaatsvinden, dan is hypnose ook fysiologie, net zo reëel als de golven die zij al die jaren zag.
Daar wilde ik iets over schrijven. Voor ik begon, keek ik wat ik er zelf over had gezegd.
Wat ik zelf had opgeschreven
In juni schreef ik een stuk over AI, VR en neurofeedback in de hypnotherapie. Daarin staat dat theta-activiteit, vooral frontaal, consistent verhoogd is in hypnose. Dat recenter onderzoek met connectiviteitsanalyse veranderingen vindt die het verschil tussen pre-hypnose en hypnose betrouwbaar markeren. En in de slotalinea, met nadruk: de biomarkers voor trance zijn niet weg te wuiven.1
Ik zette er een bron bij. Die bron zegt bijna het tegenovergestelde van wat ik ermee beweerde. En ik schreef hem toe aan de verkeerde auteurs.
Dat is dezelfde beweging als in het bericht van mijn collega, alleen met voetnoot. Het loont om te kijken wat die bron werkelijk vond.
Het getal dat niets voorspelde
Een onderzoeksgroep in Regensburg plakte bij zesenvijftig vrijwilligers twee monitoren op het voorhoofd die normaal in de operatiekamer hangen: de bispectrale index en de cerebral state index, beide bedoeld om de diepte van narcose te bewaken.2 Daarna doorliepen de deelnemers de Harvard-schaal voor hypnotische suggestibiliteit, een gestandaardiseerde inductie op geluidsband gevolgd door twaalf opdrachten.
De getallen zakten. De bispectrale index daalde van gemiddeld 97,7 naar 86,4, de cerebral state index van 94,6 naar 77,7, met het diepste punt aan het eind van de inductie. Na het terugtellen klommen beide weer naar het uitgangsniveau. Een keurige curve, precies zoals je zou hopen.
En toen kwamen de twee bevindingen die de curve leegmaken. De waarden verschilden niet tussen deelnemers die hoog en laag scoorden op suggestibiliteit. Mensen die op vrijwel geen enkele suggestie reageerden, zakten net zo hard als de virtuozen. En er was geen verband tussen de meterstand en hoe diep iemand zich voelde: de regressiecoëfficiënt bleef onder de 0,001. Deelnemers met een lage index rapporteerden hoge en lage diepte door elkaar heen.
De auteurs trekken die conclusie zelf, en scherper dan ik had gedaan. Er bestaan neurofysiologische correlaten van hypnose, schrijven ze, maar geen hypnose-specifieke vingerafdruk. Ze distantiëren zich expliciet van de claim dat de bispectrale index de diepte van trance betrouwbaar kan meten. Ze wijzen erop dat dezelfde monitoren ook reageren op slaap, op ontspanning door acupressuur, op onderkoeling, op spierverslapping en op een te lage bloedsuiker.
Een apparaat dat op al die dingen reageert, meet geen hypnose. Het meet dat er iets verandert.
De ervaring verandert, het spectrum niet
Een groep in Pisa pakte het anders aan. Zestien hoog- en vijftien laag-hypnotiseerbare deelnemers werden gemeten over vier opeenvolgende condities: rust met open ogen, rust met gesloten ogen, de inductie, de hypnose zelf en de periode erna.3 Gemeten werd de vermogensdichtheid in theta, alpha en gamma.
De hoog-hypnotiseerbaren rapporteerden significant grotere veranderingen in hun bewustzijnstoestand dan de anderen. Zij ervoeren iets. In het spectrum was daar niets van terug te zien. Theta, alpha en gamma vertoonden geen enkele conditiegebonden verandering, in geen van beide groepen. Er waren wel verschillen tússen de groepen, zoals meer alpha bij de hoog-hypnotiseerbaren op de middenlijn, maar die stonden los van wat er tijdens de sessie gebeurde. Ze waren er voor de inductie al.
De titel van dat artikel stelt de vraag onomwonden: is een hypnotische inductie nodig om hypnose te ervaren, en is zij verantwoordelijk voor de veranderingen in hersenactiviteit?
Wat er wél te vinden is
Hier hoort de tegenstem, want die is er en hij is serieus. Een invloedrijke lijn in het veld stelt dat trage oscillaties, en theta in het bijzonder, hypnotisch reageren faciliteren en samenhangen met zowel het vermogen als de toestand.4 Overzichtsartikelen presenteren de theta-toename na een inductie geregeld als de meest consistente bevinding die er ligt. Recent werk draagt kandidaten aan: gamma-vermogen op sensorniveau en de correlatie van beta-envelopes tussen aandachtsnetwerken voorspelden zelfgerapporteerde hypnosediepte.5 De auteurs noemen ze potentiële voorspellers, met dat woord erbij.
Twee dingen verdienen daarbij aandacht. Die kandidaat-markers worden geijkt op zelfrapportage, dezelfde maat die in Regensburg niet met de meters meeliep. En de reviewliteratuur en de primaire studies wijzen niet dezelfde kant op. Een overzicht van het onderzoek naar EEG-correlaten van hypnotiseerbaarheid, inductie en suggesties noemt de bevindingen heterogeen, inconsistent en lastig te interpreteren.6 Een studie die theta expliciet als toestandsmarker toetste bij hoog-hypnotiseerbaren, vond geen enkele verandering tussen waak, hypnose, suggestie en de periode erna.7
Er is dus iets gaande. Wat er gaande is, laat zich niet vangen in één band en niet in één getal.
Hetzelfde brein, een andere ervaring
De scherpste bevinding is van vorig jaar en komt uit dezelfde Pisaanse groep. Zestien hoog- en zestien laag-hypnotiseerbare deelnemers, opnieuw over een hele sessie gemeten, nu met netwerkanalyse en topologische maten in plaats van vermogensbanden.8
De veranderingen in functionele connectiviteit en in de topologische eigenschappen verliepen in beide groepen op vergelijkbare wijze. Alleen de hoog-hypnotiseerbaren ervoeren het als een veranderde bewustzijnstoestand. De conclusie van de auteurs is dat neutrale hypnose een modulatie is van het gewone bewustzijn binnen de fysiologische variabiliteit daarvan, en geen afzonderlijke fysiologische toestand. (Zie ook: Hypnose werkt. Maar hoe?)
Hetzelfde brein doet ongeveer hetzelfde. Het verschil zit in wat mensen ervan maken.
Daarbij hoort een kanttekening die de onderzoekers zelf plaatsen. In beide Pisaanse studies wisten de deelnemers vooraf hun eigen hypnotiseerbaarheidsscore en de opbouw van de sessie. Verwachting zat in het ontwerp ingebakken. De auteurs noemen overtuigingen en verwachtingen expliciet als mogelijke hoofdrolspelers. Dat versterkt de strekking, maar het is ook een beperking: wie wil weten wat een inductie doet bij iemand die niets van zichzelf weet, heeft deze studies niet.
Meetbaar is geen onderscheid
Terug naar de zin van mijn collega. Als trance meetbaar is, is hypnose fysiologie, net zo reëel als die golven op het scherm.
Alles is fysiologie. Een gesprek, een verwijt, een liedje op de radio, ogen dichtdoen. Dat laatste verandert het EEG onmiddellijk en fors, en niemand noemt het daarom een bewustzijnstoestand. Meetbaarheid onderscheidt niets, want er is niets wat niet meetbaar is. De zin voelt als een argument omdat er een apparaat in zit.
Wat een marker zou moeten kunnen, is onderscheiden: dit wel, dat niet, deze persoon reageert, die niet, hier is het dieper dan daar. Dat is precies wat de monitoren in Regensburg niet deden, wat de spectra in Pisa niet deden, en wat de netwerkmaten evenmin deden.
Het EEG kan wel degelijk werk doen in hypnose-onderzoek. In een slaaplaboratorium liet een suggestie de diepe slaap meetbaar toenemen, en daar is het EEG de uitkomstmaat: iets veranderde aantoonbaar. Dat is iets anders dan het EEG inzetten als toestandsmeter die moet vaststellen of iemand in trance verkeert.
Mijn eigen fout zat niet in de data. Die zat in het woord ertussen. Ik las dat er iets verandert en schreef op dat er iets gemarkeerd wordt. Tussen die twee zinnen ligt de hele discussie. Wat het apparaat meldt, is dat de meter zakt. Dat het zakken hypnose heet, staat er niet bij. Dat leggen wij erin.
Bronnen
- Van Rooij, J. (2026). Kan AI een hypnotherapeut vervangen? HypnoseGids.nl, 4 juni 2026. De passage over EEG-monitoring van trance en de slotalinea over biomarkers zijn inmiddels van een correctienoot voorzien.
- Zech, N., Seemann, M. & Hansen, E. (2023). Hypnosis measured with monitors of anesthetic depth: EEG changes during the test for Harvard Group Scale of Hypnotic Susceptibility. Frontiers in Psychology, 14, 1267658. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2023.1267658
- Callara, A. L., Zelič, Ž., Fontanelli, L., Greco, A., Santarcangelo, E. L. & Sebastiani, L. (2023). Is hypnotic induction necessary to experience hypnosis and responsible for changes in brain activity? Brain Sciences, 13(6), 875. https://doi.org/10.3390/brainsci13060875
- Jensen, M. P., Adachi, T. & Hakimian, S. (2015). Brain oscillations, hypnosis, and hypnotizability. American Journal of Clinical Hypnosis, 57(3), 230–253.
- Farahzadi, Y. et al. (2024). Gamma power and beta envelope correlation are potential neural predictors of deep hypnosis. Scientific Reports, 14, 6329. https://doi.org/10.1038/s41598-024-56633-x
- Halsband, U. & Wolf, T. G. (2021). Current neuroscientific research database findings of brain activity changes after hypnosis. American Journal of Clinical Hypnosis, 63(4), 372–388.
- Hiltunen, S., Karevaara, M., Virta, M., Makkonen, T., Kallio, S. & Paavilainen, P. (2021). No evidence for theta power as a marker of hypnotic state in highly hypnotizable subjects. Heliyon, 7(4), e06871.
- Lucas, M., Aime, N., Callara, A., Fontanelli, L., Sebastiani, L., Santarcangelo, E. L. & Petri, G. (2025). On the state-nonstate theory of hypnosis: network and topological EEG findings. Cerebral Cortex, 35(10), bhaf262. https://doi.org/10.1093/cercor/bhaf262
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Pingback: De brief die niemand herkende -